“Call for papers” voor conferentie over Basisinkomen in Maribor, Slovenië

banner-ubie-maribor-v2

banner-ubie-maribor-v2Het nieuwe Europese netwerk voor een onvoorwaardelijk basisinkomen (UBIE – Unconditional Basic Income Europe) organiseert een reeks conferenties. De eerste oproep voor deelname begonnen. Bijdragen voor de eerste conferentie op 119 en 20 maart 2015 in Maribor, Slovenië met de titel “Onvoorwaardelijk Basisinkomen als een reactie op de sociale ongelijkheid in Europa” zijn van harte welkom. U kunt het bericht online vinden via http://ubie.org/news/2014/11/call-participation-conference-maribor/

Om verschillende bijdragen van wetenschappers te ontvangen met een contextuele achtergrond als het realiseren van een brede Europese dimensie, vragen wij u om dit bericht onder uw internationale en nationale netwerken en potentieel geïnteresseerde activisten en wetenschappers te verdelen.

Met vriendelijke groet,
Stefan Füsers
UBIEurope

Het bericht “Call for papers” voor conferentie over Basisinkomen in Maribor, Slovenië verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Verslag Expertsessie MIESlab, tijdens Let’s Gro – Groningen

expertmeeting

miesExpertmeeting

21 november 2014 bogen ruim dertig “experts in het experimenteren” zich met ons over de vraag hoe je een experiment met een onvoorwaardelijk basisinkomen zou kunnen inrichten. Immers, voor- en tegenstanders baseren hun standpunt vooral op wat ze geloven dat er gaat gebeuren, dus we hebben bewijs nodig om verder te komen in het debat.

Energieke gesprekken

Wat vooral opviel tijdens de dag was de enorme energie die vrijkomt als je dertig slimme mensen, die het niet per se heel erg met elkaar eens zijn maar wel bereid zijn constructief te denken, loslaat op dit onderwerp. Het was in ieder geval genoeg energie om de temperatuur in het pand van woningbouwvereniging Nijestee, waar we te gast waren, een graad of vijf te laten stijgen. Deze energie en de relaties die gelegd en versterkt zijn, zijn alvast een belangrijke opbrengst van de dag.

Pekela

Heeft het inhoudelijk wat opgeleverd? We denken dat we een flinke stap verder zijn gekomen. We hebben vastgesteld dat een “full scale” experiment, waarbij in een hele gemeente een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen wordt ingevoerd, in principe uitvoerbaar is, maar dat er wetgeving voor nodig is en dat het vrij kostbaar is. Voor een gemeente als Pekela, dat als rekenvoorbeeld diende, kom je al snel op tientallen miljoenen euro’s. Zo’n experiment kan op termijn relevant worden, maar is geen logische eerste stap, denken we.

Bijstand

Het grootste deel van de denkkracht ging vrijdag zitten in experimenten met een basisinkomen in plaats van de bijstand. Een experiment onder bijstandsgerechtigden (in plaats van alle inwoners van een gebied) heeft twee grote voordelen. In de eerste plaats is het vele malen goedkoper – je wisselt immers de ene uitgave in voor de andere. En in de tweede plaats zijn de uitkomsten, ongeacht hoe de discussie over een basisinkomen verder verloopt, direct van waarde voor gemeenten in verband met de uitvoering van de participatiewet. Deelnemers aan een dergelijke pilot (bijstandsgerechtigden dus) zouden er in principe niet op achteruit gaan.

Private financiering

Maar ook voor zo’n experiment zal een wettelijk kader moeten worden geboden. Komt dat er niet, dan zou je aan private financiering en uitvoering kunnen denken: deelnemers aan het experiment zeggen hun bijstandsuitkering op in ruil voor een toelage van een wijkontwikkelingsmaatschappij waarin bijvoorbeeld ook zorgverzekeraars participeren. Wat ons betreft een ruw idee dat verdere uitwerking verdient.

expertmeeting

Experts aan tafel, derde van links Adriaan Planken, voorzitter VBi

Krachten bundelen

Hoe nu verder? Vanuit drie gemeenten, namelijk Enschede, Tilburg en Groningen, waren deelnemers aanwezig die verder willen werken aan een experiment met basisinkomen in plaats van bijstand, en die hebben afgesproken de voorbereidingen te coördineren. De Vereniging Basisinkomen heeft inmiddels een Commissie van Aanbeveling ingesteld om het pleidooi voor een experiment kracht bij te zetten. Wij zelf richten ons voorlopig op Groningen, om te beginnen in een samenwerkingsproject met het Grand Theatre en theatermaakster Hanna van Mourik Broekman die de discussie in een wat breder kader plaatst.

 

Bron: http://mieslab.nl/onderzoek-basisinkomen/

Het bericht Verslag Expertsessie MIESlab, tijdens Let’s Gro – Groningen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Het basisinkomen keert hardnekking terug in de politiek

basisinkomen-werkeloosheidWelk algemene patroon is er zichtbaar in deze geschiedenis? Het basisinkomen is een hardnekkig idee dat met een vast ritme terug lijkt te keren in de politiek. Loek Groot en Robert van der Veen zien een verband met werkloosheid. Zij zien pieken in aandacht in 1985 (rond het WRR-rapport) en in 1995 (na de uitlatingen van Wijers). Dat zijn beide momenten waarop de werkloosheid haar top bereikte. Toen eind jaren ’80 en opnieuw eind jaren ’90 de werkgelegenheid weer aantrok, nam de aandacht voor het basisinkomen zienderogen af. In de figuur hiernaast is voor de laatste 35 jaar de aandacht voor het basisinkomen in drie regionale kranten uitgezet [1] tegen het aantal werklozen in die periode: de relatie lijkt tamelijk duidelijk. Dat zou betekenen dat als de economische opleving binnenkort door zou zetten, het basisinkomen voor de derde keer weer van de politieke agenda zal verdwijnen.[1]

Dit was de eindconclusie van een artikel geschreven door Simon Otjes,  wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) van de Rijksuniversiteit Groningen. Paul Lucardie is als onderzoeker verbonden aan het Montesquieu Instituut.

Echter, er is geen rekening gehouden met de situatie in andere landen van Europa, waar het basisinkomen in de huidige periode ook regelmatig ter tafel komt. Zeker doordat het Zwitserse vok in 2016 gaat stemmen over een basisinkomen, nadat meer dan 120.000 handtekeningen werden opgehaald om het op de parlementarie agenda te krijgen.[2]
Tevens is in de tussentijd een Europees Burgerinitiatief voor Onvoorwaardelijk Basisinkomen geweest, waar 300.000 ondertekeningen werden opgehaald. [3] Dat in een tijd waar een overgrote meerderheid nog nooit van een basisinkomen heeft gehoord. De periode voor het ophalen van de ondertekeningen was dan ook op dat moment te kort om het quotum van 1 miljoen te halen.[4]

Door sociale media is de informatievoorziening over Basisinkomen in de hele wereld op een hoger pijl komen te staan en het is onwaarschijnlijk dat de conclusie zal luiden dat het Basisinkomen van de politieke agenda zal verdwijnen.

The post Het basisinkomen keert hardnekking terug in de politiek appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

Podcast van de Vrije Tribune over Basisinkomen

20141124_podcast_affiche_400x566

20141124_podcast_affiche_400x566Podcast van de Vrije Tribune op 24 november 2014. Sjors ontvangt Bart en Adriaan in de uitzending. Het onderwerp is; Arbeid en basisinkomen

Luister hier: http://vrijetribune.nl/2014/11/podcast-vrije-tribune-arbeid-en-basisinkomen/

Met gebruik van diverse bronnen:
Basisinkomen, kritiek en repliek – Wat is een Basisinkomen? – Bestaat het basisinkomen al? – Waarom we iedereen gratis geld moeten geven – Revenu de Base – De onwenselijkheid van de vlaktaks en het basisinkomen – Over het Rijnlandmodel – Gratis Geld, documentaire v/d VPRO – India’s Experiment in Basic Income Grants – Cash TransferIndia 002

Het bericht Podcast van de Vrije Tribune over Basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

De geschiedenis van het basisinkomen

loesjeHet idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen heeft drie historische wortels:

  • ideeën voor een minimuminkomen verschenen voor de eerste maal aan het begin van de 16e eeuw;
  • aan het einde van de 18e eeuw kwamen ideeën op over een onvoorwaardelijke, eenmalige schenking;
  • de combinatie van beide concepten leidde rond het midden van de 19e eeuw voor de eerste keer tot plannen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.

1. Het minimum inkomen: de humanisten More (1516) en Vives (1526)

Raphael’s remedie tegen diefstal

Het idee van een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen voor alle leden van een bepaalde gemeenschap is veel ouder dan het meer specifieke en radicale idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Met de opkomst van de Renaissance werd de taak om voor het welzijn van arme mensen te zorgen niet langer beschouwd als het exclusieve domein van de Kerk en menslievende personen.

Sommige van de zogenaamde humanisten begonnen te spelen met gedachten over een minimuminkomen in de vorm van overheidssteun. In Thomas More’s (1478-1535) Utopia, in 1516 gepubliceerd in Leuven, verhaalt de Portugese reiziger Raphael Nonsenso, wandelend op het centrale plein van de stad Antwerpen, over een gesprek dat hij had met John Morton, de aartsbisschop van Canterbury. In dat gesprek, betoogde hij, bespraken ze een regeling, een meer scherpzinnige manier om diefstal te bestrijden dan het ter dood veroordelen van dieven, dat gepaard gaat met het wrange bijverschijnsel van een toename van het aantal moorden.

thomas_moore-150x150“Ik dineerde eens bij de kardinaal toen er ook een zekere Engelse advocaat was. Ik ben vergeten hoe het ter sprake kwam, maar hij sprak met veel enthousiasme over de strenge maatregelen die toendertijd werden genomen tegen dieven. ‘We hangen ze overal op’, zei hij, ‘ik heb er maar liefst twintig aan een enkele galg zien hangen. En dat vind ik zo vreemd. In aanmerking nemende hoe weinig van hen ermee wegkomen, hoe komt het dat we nog steeds geplaagd worden door zoveel rovers?’ ‘Wat is er raar aan?’ vroeg ik – want ik aarzelde nooit om vrijuit te spreken in het bijzijn van de kardinaal. ‘Deze manier van omgaan met dieven is zowel onrechtvaardig als ongewenst. Als straf is het te streng, als afschrikmiddel is het niet erg doeltreffend. Kruimeldiefstal is niet zo slecht dat het met de dood bestraft moet worden. En geen straf op aarde zal mensen afhouden van stelen, als het hun enige manier is om voedsel te krijgen.’ Wat dit betreft doen jullie Engelsen me, net als de meeste andere naties, denken aan die incompetente schoolmeesters die hun leerlingen liever met stokslagen bewerken dan hen te onderwijzen. In plaats van deze gruwelijke straffen op te leggen, zou het immers veel beter zijn om iedereen van enige middelen van bestaan te voorzien, zodat niemand voor de huiveringwekkende noodzaak komt te staan om eerst een dief te worden en dan een lijk.” [Thomas More, Utopia (Eerste Latijnse uitgave, Leuven, 1516), Engelse vertaling door Paul Turner, Harmondsworth: Penguin Classics, 1963, p. 43-44.]

Een pragmatisch, theologisch pleidooi voor overheidssteun

Het was echter Thomas More’s goede vriend en eveneens humanist, Johannes Ludovicus Vives (1492-1540), die beschouwd moet worden als de echte vader van het idee van een gegarandeerd minimuminkomen, want hij was de eerste die een gedetailleerde methode uitwerkte en deze van een uitgebreide argumentatie voorzag, gebaseerd op zowel theologische als pragmatische overwegingen.

Juan Luis Vives werd geboren in Valencia in een familie van bekeerde Joden. Hij verliet Spanje in 1509 om te ontkomen aan de Inquisitie, studeerde aan de Sorbonne, maar hij kreeg al snel genoeg van de conservatieve scholastieke filosofie die op dat moment in Parijs domineerde. In 1512 verhuisde hij naar Brugge en in 1517 naar Leuven, één van de belangrijkste centra van de humanistische beweging, waar hij in 1520 werd benoemd tot hoogleraar. Hoewel hij ook kort doceerde aan het Corpus Christi College in Oxford, bracht hij het grootste deel van zijn volwassen leven in de stad Brugge door, waar zijn standbeeld nog te zien is aan de oever van één van de belangrijkste grachten.

In een verhandeling gericht aan de burgemeester van Brugge onder de titel De Subventione Pauperum (Over Hulp aan de Armen), stelde hij in 1526 voor, dat de gemeentelijke overheid de verantwoordelijkheid gegeven zou moeten worden om alle inwoners te verzekeren van een bestaansminimum, niet op grond van rechtvaardigheid, maar in het belang van een meer doeltreffende uitvoering van de barmhartigheid waartoe men moreel verplicht is. De ondersteuningsmaatregel zal nauwlettend afgestemd worden op de armen. Omdat overheidsambtenaren hen het beste kunnen bereiken worden zij belast met de leiding over de armenzorg. Om recht te hebben op hulp moet de armoede van een arm persoon niet onverdiend zijn, maar hij moet de hulp die hij krijgt verdienen door te bewijzen dat hij bereid is om te werken.

Juan_Luis_Vives“Zelfs aan degenen die hun fortuin in een losbandig leven hebben verbrast – door spelen, hoeren, overbodige luxe, gulzigheid en gokken – moet voedsel gegeven worden, want niemand zal van honger sterven. Aan hen zullen echter kleinere rantsoenen en meer vervelende taken toegewezen worden, zodat zij een voorbeeld voor anderen kunnen zijn. (…). Zij moeten niet sterven van de honger, maar ze moeten hem wel voelen knagen.”

Ongeacht de oorzaak van de armoede, de armen worden geacht te werken. Het moet zelfs mogelijk zijn om aan “de ouden en dommen werk te geven dat ze in een paar dagen kunnen leren, zoals kuilen graven, water halen of iets op hun schouders vervoeren.” We vragen aan de begunstigden van de regeling een dergelijke tol zodat zij voor een deel bijdragen aan de financiering ervan. Maar ook om ervoor te zorgen dat ze “bezig en verdiept zijn in hun werk, zodat ze afzien van die boze gedachten en acties die ze zouden ondernemen als ze niets te doen hadden”. Deze zorg moet inderdaad ook uitgebreid worden naar degenen die rijk geboren zijn: keizer Justinianus had gelijk, volgens Vives, “in het opleggen van een wet die iedereen verbood om zijn leven in ledigheid door te brengen”. Als de armen geen parasieten mogen zijn, waarom de rijken dan wel? [Juan Luis Vives, De Subventione Pauperum, Sive de humanis necessitatibus, 1526; Nederlandse vertaling in opdracht van de magistraten van Ieper: Secours van den Aermen, Antwerpen, 1533, herdrukt door Valero & Fils, Brussel, 1943, 114 p.; Franse vertaling door Ricardo Aznar Casanova: De l’Assistance aux pauvres (Hulp aan de armen), Brussel: Valero et Fils, 1943, 290 p.; Engelse vertaling van alleen deel II door Alice Tobriner: On the Assistance to the Poor (Over hulp aan de armen). Toronto & Londen: Uitgegeven door de Universiteit van Toronto (“Renaissance Society of America reprints”), 1998, 62 p.]

Op twee punten geeft Vives inzichten die latere denkers in de richting van een basisinkomen zullen voeren.

vives2“Al deze dingen die God schiep, zette Hij in ons grote huis, de wereld, zonder ze te omringen met muren en poorten, zodat ze aan al Zijn kinderen zouden toevallen.” Vandaar, tenzij hij mensen in nood helpt, hij die zich enkele van de geschenken van de natuur heeft toegeëigend “is niet anders dan een dief, schuldig bevonden door de wetten van de natuur, want hij neemt en houdt wat de natuur niet exclusief voor hem gemaakt heeft”.

Verder staat Vides er op dat hulp moet komen “voordat de nood de één of andere gekke of goddeloze actie uitlokt, voordat het aangezicht van de behoeftige bloost van schaamte … De goede daad die voorafgaat aan de harde en ondankbare noodzaak van het vragen is aangenamer en een meer eervolle reden voor dankbetuigingen”. Maar hij verwerpt expliciet de meer radicale conclusie dat het nog beter zou zijn als “de schenking gedaan zou worden voordat de behoefte ontstaat”, dat is precies wat een adequaat basisinkomen zou bewerkstelligen.

Van Vives naar de Armenwetten

Ontegenzeggelijk inspireerde Vives’ pleidooi een paar jaar later de Vlaamse gemeente Ieper tot het invoeren van een regeling. Het droeg ook bij aan een begin van bezielend handelen en denken over vormen van armenzorg, van de School van Salamanca van Francisco de Vitoria en Domingo de Soto (vanaf 1536) tot Engeland’s Armenwetten (van 1576 en later). Hoewel minder goed herinnerd dan zijn vrienden en beschermheren Erasmus en More, is Vives’ baanbrekende denkwijze over de verzorgingsstaat onlangs herontdekt. [Vives’ invloed op het denken over sociaal beleid is nadrukkelijk erkend in Spanje, bijvoorbeeld door de oprichting (in 1987) van de Fundacion Luis Vives, een stichting met vestigingen in Madrid en Brussel die Spaanse NGO’s op het terrein van sociaal beleid ondersteunt (http://www.luisvivesces.org/) en door de oprichting (in 1998) van het Instituto de Seguridad Social Juan Luis Vives, een onderzoeksinstituut op het gebied van de verzorgingsstaat aan de Madrileense Universiteit Carlos III (http://portal.uc3m.es/portal/page/portal/instituto_luis_vives).]

Hij wordt ook nog steeds herdacht aan zijn Alma Mater, de Universiteit van Leuven: een steen uit zijn huis is opgenomen in de muur van de “Universitaire Halle”, die het Rectoraat in het oude centrum van Leuven herbergt. En de vergaderzaal van de Hoover Leerstoel in Louvain-la-Neuve (Nieuw Leuven), waar het Collectief Charles Fourier in 1984-1986 bijeenkwam om over een basisinkomen te praten en de stichtingsvergadering van het Basic Income European Network voor te bereiden, is uitgeroepen tot “Vives Zaal”. Vives’ uiteenzetting is de eerste systematische verwoording in een lange traditie van sociaal denken en institutionele hervormingen met betrekking tot publieke werken van barmhartigheid en door de overheid georganiseerde inkomensafhankelijke regelingen toegesneden op de armen.

Ondanks de moeilijkheden en twijfels aangewakkerd door de uitvoering van de armenwetten, maakten de denkers van het nouveau régime overheidssteun tot een essentiële taak van de overheid. Vandaar Montesquieu: “De staat is al haar burgers een veilig bestaan, voedsel en geschikte kleding verschuldigd en een manier van leven die hun gezondheid niet schaadt”. [L’Esprit des Lois (De Geest van de Wet; 1748), afdeling XXIII/29, Parijs: Flammarion, Vol.2, p. 134.] Deze gedachtengang leidde uiteindelijk tot de oprichting van uitgebreide, op nationaal niveau gefinancierde stelsels voor een gewaarborgd minimuminkomen in een groeiend aantal landen, waarvan de meest recente Frankrijk’s KMI (1988)[http://en.wikipedia.org/wiki/Revenu_minimum_d%27insertion en Portugal’s RMG (1997) http://www.eurofound.europa.eu/eiro/2001/07/feature/pt0107159f.htm] zijn.

2. Een basisgift: de Republikeinen Condorcet (1794) en Paine (1796)

Condorcet over sociale verzekeringen

Tegen het einde van de 18e eeuw kwam echter een ander idee naar voren dat een nog grotere rol zou spelen in het lenigen van armoede in Europa. De eerst bekende persoon die het idee uitstippelde was de briljante wiskundige en politiek activist, Antoine Caritat, markies de Condorcet (1743-1794).

Na een prominente rol in de Franse Revolutie gespeeld te hebben, als journalist èn als lid van de Conventie, werd Condorcet gevangen genomen en ter dood veroordeeld. In de gevangenis schreef hij zijn meest nauwgezette werk, de Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain (Schets van een historisch beeld van de vooruitgang van de menselijke geest; in 1795 postuum uitgegeven door zijn weduwe), waarvan het laatste hoofdstuk een korte schets bevat over hoe een sociale verzekering eruit zou kunnen zien en hoe het ongelijkheid, onzekerheid en armoede zou kunnen verminderen.

Condorcet“Er lijkt dus een onvermijdelijke oorzaak voor ongelijkheid, afhankelijkheid en zelfs van ellende te zijn, die voortdurend de meest talrijke en meest actieve klasse van onze samenlevingen bedreigt. Wij zullen laten zien dat we die voor een groot deel achter ons kunnen laten, door er geluk tegenover te zetten, door ondersteuning – het product van wat hij gespaard heeft, maar verhoogd door de besparingen van personen die hetzelfde offer brachten, maar stierven voordat voor hen de tijd kwam om de vruchten ervan te plukken – veilig te stellen voor degenen die een hoge leeftijd bereiken; door met behulp van een soortgelijke vergoeding vrouwen en kinderen, op het moment dat ze hun man of vader verliezen, te voorzien van bestaansmiddelen op hetzelfde niveau en tegen dezelfde prijs verworven, of het betrokken gezin nu getroffen werd door een vroegtijdige dood of het hoofd langer kon houden; en tenslotte door aan kinderen die oud genoeg geworden zijn om zelf te werken en een eigen gezin te stichten het voordeel van een kapitaal te geven nodig voor de ontwikkeling van hun activiteiten en verhoogd doordat een aantal te vroeg stierven om ervan te kunnen genieten. Deze methode danken wij aan de berekening van levenskansen en de belegging van geld. Het laatste is al met succes gebruikt, maar nooit op de schaal en met de verscheidenheid aan vormen die het echt nuttig zou maken, niet alleen voor een handjevol individuen, maar voor de gehele massa van de samenleving. Het zou de maatschappij bevrijden van het periodieke faillissement van een groot aantal gezinnen, die onuitputtelijke bron van corruptie en ellende.” [Condorcet, Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain (Schets van een historisch beeld van de vooruitgang van de menselijke geest; Eerste uitgave, 1795), Parijs: GF-Flammarion, 1988, p. 273-274.]

Dit opmerkelijke, inspirerende idee dat een eeuw later zou uitmonden in de geboorte en ontwikkeling van Europa’s robuuste sociale zekerheidsstelsels, te beginnen met het ouderdomspensioen en de ziektekostenverzekering van Otto von Bismarck voor de beroepsbevolking van het verenigde Duitsland (vanaf 1883). Hoewel deze systemen niet specifiek op de armen gericht waren en zij enorme overdrachten aan niet-armen met zich meebrachten, hadden zij al snel een enorme invloed op armoede en overschaduwde hun ontwikkeling de groei van publieke bijstandsregelingen die tot een ondergeschikte rol gedegradeerd werden.

Aan de ene kant brachten sociale verzekeringen ons dichter bij een basisinkomen dan overheidssteun, omdat de sociale uitkeringen die het verdeelde niet beschikbaar waren gesteld op grond van mededogen, maar vanwege een recht, in dit geval op basis van betaalde afdrachten ten bate van het verzekeringssysteem. Maar op een andere manier leidde het ons van het basisinkomen af, juist omdat het recht op de uitkeringen nu gebaseerd is op het feit of jij of je werkgever in het verleden voldoende betaald hebben aan premies, meestal in de vorm van een bepaald percentage van je loon. Om deze reden – in tegenstelling tot de meer ruimhartige varianten van overheidssteun – kunnen zelfs de meest uitgebreide vormen van sociale verzekeringen niet zorgen voor een gegarandeerd minimuminkomen.

Condorcet en Paine over een basisgift

Het is echter precies dezelfde Markies de Condorcet, die als eerste – in de marge van zijn bespreking van de sociale zekerheid – kort het idee naar voren bracht van een uitkering niet uitsluitend voor de armen (die ons medelijden verdienen) of voor de verzekerden (die recht op een vergoeding hebben, indien de verzekerde gebeurtenis zich voordoet), maar om “aan kinderen die oud genoeg geworden zijn om zelf te gaan werken en een nieuw gezin te stichten het voordeel van een kapitaal te geven dat nodig is voor de ontwikkeling van hun activiteiten.”

Van Condorcet zelf is niet bekend of hij iets anders over het onderwerp heeft gezegd of geschreven, maar zijn goede vriend en collega-lid van de Conventie Thomas Paine (1737-1809) heeft het idee, twee jaar na de dood van Condorcet, gedetailleerder uitgewerkt in een gedenkschrift gericht aan het Directoire, het uit vijf leden bestaande leiderschap, dat Frankrijk gedurende het grootste deel van de periode tussen de onthoofding van Robespierre en de opkomst van Napoleon regeerde.

concordet2“Het is een stelling die niet weerlegd kan worden,” schrijft hij, “dat de aarde in zijn natuurlijke, onontgonnen staat is, en ook zo bedoeld is, om het gemeenschappelijk bezit van de mensheid te zijn en te blijven.” Als het land bewerkt wordt, “is het alleen de waarde van de verbetering en niet de grond zelf, dat in particulier eigendom komt. Iedere eigenaar dus van in cultuur gebracht land is aan de gemeenschap een grondrente (want ik weet geen betere term voor het idee) verschuldigd voor het land, dat hij in bezit genomen heeft en het is uit deze grondrente, dat het in dit plan voorgestelde fonds gerealiseerd zal worden.”

Uit dit fonds, “wordt aan elke persoon, wanneer deze de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, de som van 15 £ sterling uitgekeerd, als een gedeeltelijke compensatie voor het verlies van zijn of haar natuurlijke erfenis, door de invoering van het systeem van grondbezit. Evenals een som van £ 10 per jaar gedurende de rest van zijn leven, aan iedere persoon die nu leeft, vanaf de leeftijd van vijftig jaar en aan alle anderen als zij die leeftijd bereiken”. Betalingen, benadrukt Paine, moeten worden gedaan “aan iedereen, rijk of arm”, “want het is in plaats van zijn natuurlijke erfenis, die, als een recht, behoort aan ieder mens, bovenop de bezittingen die hij voortgebracht kan hebben, of geërfd van degenen die dat deden.” [Thomas Paine 1796, p. 611; 612-613.]

Van Paine naar de Stakeholder Society

Dit idee van een gelijke basisgift voor ieder die de volwassen leeftijd bereikt, verschijnt zo nu en dan weer, bijvoorbeeld in de geschriften van de Franse politiek filosoof François Huet. In zijn poging om het liberalisme en het socialisme te combineren, stelde hij voor dat aan alle jonge mensen een schenking zou worden gedaan, gefinancierd uit de belasting van de som van dat deel van het land en andere eigendommen die de legator zelf ontvangen heeft. [Zie Le Règne sociale du Christianisme (Het Sociale Bewind in het Christendom), Parijs: Firmin Didot & Bruxelles: Decq, 1853, pp 262, 271-3.]

Hetzelfde idee van een schenking, ook zoals bij Paine gecombineerd met een basispensioen, is meer recent nieuw leven ingeblazen en tot in detail uitgewerkt door twee professoren van Yale Law School, Bruce Ackerman en Anne Alstott. [The Stakeholder Society (Maatschappij van Beheerders), New Haven: Yale University Press, 1999.] De rechtvaardiging voor deze onvoorwaardelijke beurs van $ 80.000 is echter niet langer het gemeenschappelijk eigendom van de aarde, maar een brede opvatting van rechtvaardigheid en gelijke kansen. [Voor een bespreking van voorstellen voor basisgiften in relatie tot het basisinkomen, zie The Ethics of Stakeholding (De Ethiek van Participatie), Keith Dowding, Jurgen De Wispelaere en Stuart White, red. Basingstoke: Palgrave / Macmillan, 2003; en Rethinking Distribution (De Verdeling Heroverwogen), Erik O. Wright red. en het themanummer van Politics and Society (Politiek en Samenleving), 2003.

3. Basisinkomen: de utopische socialisten Charlier (1848) en Mill (1849)

Charles Fourier’s recht op levensonderhoud

Een onvoorwaardelijke schenking voor iedereen is in Paine’s optiek de rechtvaardiging voor ieder’s gelijke rechten op het eigendom van de aarde, niet een gegarandeerd inkomen. Enkele 19de-eeuwse hervormers, zoals William Cobbett (1827), Samuel Read (1829) en Poulet Scrope (1833) in Engeland, hebben het ook zo opgevat om aan gewaarborgde inkomensregelingen een steviger basis te geven dan aan publieke liefdadigheid. [Zie voor een nuttig overzicht Horne, Thomas A. “Welfare rights as property rights”, in Responsibility, Rights and Welfare. The theory of the welfare state (Sociale zekerheidsrechten als eigendomsrechten in Verantwoordelijkheid, Rechten en Sociale Zekerheid. De theorie van de verzorgingsstaat), Boulder & London: Westview Press, 1988, 107-132.]

De bekendste onder hen is de excentrieke en productieve Franse schrijver Charles Fourier (1772-1837) [http://nl.wikipedia.org/wiki/Charles_Fourier], één van de radicale visionairs die Marx minachtend bestempelde als “utopische socialisten”. In La Fausse Industrie (1836), betoogt Fourier dat de schending van iemands fundamentele natuurlijke recht om te jagen, te vissen, fruit te plukken en haar of zijn vee te laten grazen op de gemeenschappelijke grond, inhoudt dat de “beschaving” een bestaansminimum verschuldigd is aan iedereen die niet in staat is om in zijn behoeften te voorzien, in de vorm van een zesde klas hotelkamer en drie bescheiden maaltijden per dag. [Charles Fourier, La Fausse industrie (De Foute Industrie; 1836), Parijs: Anthropos, 1967, p. 491-492.]

charlier“De eerste wet – die van de natuurlijke oogst, het gebruik van de gaven van de natuur, de vrijheid van de jacht, het verzamelen, het weiden – is het recht op voedsel, om te eten wanneer men honger heeft. Dit recht wordt in de beschaving niet afgewezen door filosofen en [wordt] erkend door Jezus Christus in deze woorden (…). Door deze woorden heiligt Jezus het recht, het nodige te nemen waar men het vindt als men honger heeft en dit recht legt de sociale machten de plicht op te zorgen dat het minimum dat een mens nodig heeft voor zijn onderhoud veilig gesteld is: aangezien de beschaving hem beroofd heeft van de eerste natuurlijke wet, die van de jacht, de visvangst, het plukken en grazen, is zij hem een vergoeding schuldig. (…) Als de beschaafde stand de mens de vier terreinen ontneemt die hij nodig heeft om op een natuurlijke wijze te overleven – de jacht, de visvangst, het verzamelen en weiden die samen het eerste recht vormen – is de klasse die het land genomen heeft, de klasse die tekort gedaan is, een rijk voorzien bestaansminimum verschuldigd onder de negende wet (overvloedig levensonderhoud). Maar er zijn vele obstakels voor de toekenning van dit recht: ten eerste zou men het gecoöpteerde mechanisme van de gezamenlijke nijverheid, dat een viervoudige opbrengst geeft en dat voldoende is om een minimum te verstrekken, moeten begrijpen en ontrafelen. Aan de andere kant als velen verzekerd zijn van een royaal minimum en slechts weinigen zouden af en toe werken, moet men een aantrekkelijk werkklimaat bedenken en organiseren dat garandeert dat mensen aan het werk blijven ondanks hun gevoel van welbehagen.”

Fourier is echter zo duidelijk over het niet-universele karakter van de toekenning van dit inkomen in natura (slechts een minderheid zou worden ondergebracht in die zesde klasse hotels) als hij is over het ontbreken van een toets op arbeid: het is een onvoorwaardelijk recht voor de armen als compensatie voor het verlies van de directe toegang tot natuurlijke hulpbronnen.

Zijn leerling en leider van de fouriéristische school, Victor Considérant maakt een stap in de richting van een echt basisinkomen wanneer hij benadrukt dat, als werken dankzij het Phalanx-systeem aantrekkelijker geworden zou zijn, “men de arme leden van de gemeenschap een minimuminkomen zou kunnen doen toekomen met de zekerheid dat zij aan het einde van het jaar meer verdiend zouden hebben dan uitgegeven”. Maar ondanks de aard van de onderliggende rechtvaardiging, is armenzorg nog steeds niet omgezet in een universeel inkomen.

mill“Door de toewijzing van werk over groepen en categorieën die het recht hebben ze aantrekkelijk te maken, zijn alle lagen van de samenleving ijverig op zoek naar werkplekken in alle takken [van nijverheid] voor oneindig gevarieerde sociale aanstellingen. Er zijn dus geen nietsnutten meer: men zal aan de arme leden van de samenleving een minimumvergoeding kunnen geven in de zekerheid dat ze aan het eind van het jaar meer verdiend zullen hebben dan zij moesten uitgeven. Dus de oprichting van een stelsel waaraan iedereen deelneemt zal armoede en bedelarij, die plagen van de maatschappij door anarchistische rivaliteit en versnippering, uitroeien. Tegenwoordig zou het onmogelijk zijn om de mensen een minimumtoelage te geven: zij zouden onmiddellijk in gemakzucht vervallen, omdat zij verwachten dat werken walgelijk is. Dat is de reden waarom het belasten van de armen in Engeland, de afschuwelijke zweer van het pauperdom slechts heeft uitgebreid – een minimumtoelage is de basis voor vrijheid en de garantie voor de emancipatie van het proletariaat. Geen vrijheid zonder een bescheiden tegemoetkoming; geen minimum zonder aantrekkelijk werk. Het hele beleid voor de emancipatie van de massa’s is er al.”

[Victor Considérant, Exposition abrégée du système Phalanstérien de Fourier (Resumé van het Phalanx-systeem van Fourier), Parijs, 1845, het deel over “Plus de paresse – extinction de la misère et de la mendicité – armées industrielles.” (“Meer dan luilakkerij – De uitroeiing van armoede en bedelarij – manschappen voor de industrie.”), p. 49. Zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/Phalanst%C3%A8r.]

Joseph Charlier’s grondrente

In 1848 echter, terwijl Karl Marx in een andere wijk van Brussel de laatste hand legde aan de voltooiing van het Communistisch Manifest, publiceerde de fouriéristische auteur Joseph Charlier (1816-1896) in Brussel (“bij alle boekverkopers van het Koninkrijk”), zijn Solution du problème social ou constitution humanitaire (Antwoord op het sociale probleem door welwillendheid), 1848, p. 106, waarvan aangenomen wordt dat het de eerste formulering van een echt basisinkomen bevat. Ongetwijfeld geïnspireerd door de fouriéristische traditie, zag hij het gelijke recht op eigendom van grond als het fundament van een onvoorwaardelijk recht op enig inkomen. Maar hij verwierp het recht op inkomensafhankelijke bijstand, zoals die door Charles Fourier zelf bepleit werd, evenals het recht op betaald werk dat door zijn meest prominente leerling, Victor Considérant, werd verdedigd. De eerste, meende hij, keek alleen naar de gevolgen en de laatste bracht teveel inmenging van de staat met zich mee. Onder namen als “minimum” of “gegarandeerd inkomen” (en later “gronddividend”) stelde hij voor iedere burger jaarlijks een onvoorwaardelijk recht op een driemaandelijkse (later maandelijkse) betaling te geven van een bedrag vastgesteld door een representatieve nationale raad aan de hand van de huurwaarde van alle onroerend goed. In een later boek waarin hij zijn voorstel verder uitwerkt, noemt hij het “gronddividend”. [La Question sociale résolue, précédée du testament philosophique d’un penseur, Brussel, Weissenbruch, 1894, 252 p. (De sociale kwestie opgelost, voorafgegaan door het filosofisch testament van een denker.)] Een dergelijk systeem, zo betoogt hij, zou “de overheersing van kapitaal over arbeid” beëindigen. Zou het luiheid niet aanmoedigen? “Pech voor de dagdieven: zij zullen een kleine toelage ontvangen. De plicht van de maatschappij reikt niet verder dan ieder’s eerlijk aandeel in het genot van wat de natuur schenkt veilig te stellen, zonder iemands rechten te schenden.” Alles boven het minimum moet worden verdiend. [Voor meer details, zie Cunliffe, John & Erreygers, Guido, “The Enigmatic Legacy of Charles Fourier: Joseph Charlier and Basic Income” (De Raadselachtige erfenis van Charles Fourier: Joseph Charlier en het basisinkomen), History of Political Economy 33 (3), Herfst 2001, 459-484. Het blijkt dat het idee van gemeenschappelijk eigendom van de waarde van de natuurlijke hulpbronnen als rechtvaardiging van een universeel basisinkomen niet beperkt blijft tot de fouriéristische traditie. Het duikt bijvoorbeeld later op in de vroege geschriften van Herbert Spencer Social statics (Sociale gegevens), London: J. Chapman, (1851) over landhervorming, in Henry George’s Progress and Poverty (Vooruitgang en Armoede; 1879) London: The Hogarth Press, (1953) pleidooi voor een “single tax” (één belastingtarief), in de normatieve teksten van Leon Walras Études d’economie Sociale (Studies in de Sociale Economie; 1896), Lausanne: Rouge, Parijs: Pichon & Durand-Auzias, (1936), één van de grondleggers van de wiskundige economie en het meest rigoureus in stukken van de Canadese links-libertaire politiek filosoof Hillel Steiner An Essay on Rights (Een Essay over Rechten), Oxford: Blackwell, (1994).]

Mill’s vaardigst gecombineerde vorm van socialisme

Charlier’s koppige pleidooi werd nauwelijks gehoord en hijzelf was snel vergeten. Dit was geenszins het geval met een andere bewonderaar van het fouriérisme: John Stuart Mill. De relevante passage staat in de sympathieke bespreking van het fouriérisme die hij toevoegde aan de tweede editie van zijn Principles of Political Economy (Basisbegrippen in de Politieke Economie), dat een jaar na Charlier’s eerste boek gepubliceerd werd. Deze verhandeling schrijft ondubbelzinnig het voorstel van een niet-inkomensafhankelijk basisinkomen aan de fouriéristen toe:

“Van alle vormen van socialisme is dat wat algemeen bekend staat als het fouriérisme, het meest bekwaam samengesteld en met een uitstekende blik voor wat betreft toekomstige bezwaren. Dit systeem is niet van plan privé-eigendom af te schaffen, zelfs vererving niet.

Naar eigen zeggen houdt het rekening met beide factoren kapitaal zowel als arbeid bij de verdeling van wat geproduceerd is. (…) Bij de verdeling wordt eerst een bepaald minimum toegekend aan ieder lid van de gemeenschap, of hij in staat is om te werken of niet, voor zijn levensonderhoud. De rest van de opbrengst wordt in vooraf bepaalde verhoudingen verdeeld tussen de drie elementen arbeid, kapitaal en talent.”

Het idee is er duidelijk en wel opgeschreven door één van de meest invloedrijke politieke denkers van de eeuw. Maar het zou nog eens zes decennia duren voordat er voor de eerste keer zoiets als een echte discussie ontstaat. [J.S. Mill, Principles of Political Economy (Basisbegrippen in de Politieke Economie), tweede uitgave, 1849, New York: Augustus Kelley, 1987, pp. 212-214, Boek II, hoofdstuk 1.]

Geschiedenis van het basisinkomen, deel twee

In de 20e eeuw zijn drie periodes geweest waarin de discussie over het basisinkomen bijzonder intensief gevoerd werd.

  1. In Engeland werden tussen de beide wereldoorlogen onder namen als “sociaal dividend”, “staatbonus” en “nationaal dividend” voorstellen voor een werkelijk onvoorwaardelijk en universeel basisinkomen ontwikkeld en uitgebreid besproken.
  2. Na enkele jaren van stilte ontdekte men tijdens de zestiger en zeventiger jaren dit soort ideeën weer in de Verenigde Staten en kregen ze grote populariteit in debatten over “demogrants” en regelingen voor een “negatieve inkomstenbelasting”.
  3. In de late jaren 70 en vroege jaren 80 kwam een derde, nieuwe periode van debat en onderzoek op gang toen voorstellen voor een basisinkomen in verschillende landen in Noord-West Europa actief verkend werden. Los hiervan zag deze eeuw ook de invoering van ‘s werelds eerste programma voor een volwaardig basisinkomen in de vorm van het Alaska Permanent Fund, dat jaarlijks dividend uitkeert aan alle inwoners van Alaska.

4. Van strijdbaarheid naar respectabiliteit: Engeland in het Interbellum

Russell’s combinatie van anarchisme en socialisme

Het begon kalmpjes in Groot-Brittannië in 1918 tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog. In Roads to Freedom (Wegen naar Vrijheid), een kort en indringend boek dat voor het eerst gepubliceerd werd in 1918, pleitte de wiskundige, filosoof, politiek denker, nonconformist, militant pacifist en Nobelprijswinnaar voor de Literatuur, Bertrand Russell (1872-1970), voor een sociaal model dat de voordelen van het socialisme en anarchisme zou combineren. Een belangrijk onderdeel van dit model is een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBi) “voldoende voor essentiële behoeften”.

russel2“De aantrekkelijke kant van het anarchisme is de vrijheid, het socialisme spoort aan tot werken. Kunnen we niet een methode vinden die deze twee voordelen combineert? Het lijkt mij van wel.
(…) Populair gezegd, het plan waar we voor pleiten komt in feite hier op neer: dat een bepaald klein inkomen, voldoende voor noodzakelijke levensbehoeften, aan iedereen moet worden gegarandeerd, of ze nu werken of niet, en dat een groter inkomen – zo veel groter als gerechtvaardigd is door de totale hoeveelheid geproduceerde basisprodukten – moet worden gegeven aan hen die bereid zijn om deel te nemen aan werk dat de gemeenschap nuttig vindt … Niemand mag worden gedwongen om te werken als zijn opleiding voltooid is. Degenen die ervoor kiezen om niet te werken zullen de middelen ontvangen voor een sober bestaan en volledig vrijgelaten worden.” [Bertrand Russell, Roads to Freedom. Socialisme, anarchisme en syndicalisme (Wegen naar vrijheid. Socialisme, anarchisme en syndicalisme), London: Unwin Books (1918), pp 80-81 en 127.]

Milner’s staatbonus

In dat zelfde jaar publiceerde de jonge ingenieur, Quaker en lid van de Labour Partij, Dennis Milner (1892-1956), samen met zijn vrouw Mabel een kort pamflet getiteld “Regeling voor een staatbonus” (1918). Zij stelden met behulp van een reeks argumenten, ontleend aan verschillende bronnen, de invoering voor van een inkomen dat op een wekelijkse basis en onvoorwaardelijk betaald zou worden aan alle burgers van het Verenigd Koninkrijk. Een gemeenschappelijke voorziening van 20% van het BBP (Bruto Binnenlands Product) per hoofd van de bevolking, moest de “staatbonus” mogelijk maken en daarmee het probleem van de armoede, dat zo acuut was in de nasleep van de oorlog, oplossen. Omdat iedereen een moreel recht heeft op bestaansmiddelen, is enige verplichting tot werken, afgedwongen door te dreigen met het intrekken van deze middelen, uitgesloten. Milner werkte het voorstel vervolgens verder uit in een boek, dat onder de titel Higher Production by a Bonus on National Output (Hogere Productie door een Bonus op de Nationale Produktiviteit) door een respectabele uitgever werd uitgegeven. [http://books.google.sn/books/about/Higher_production_by_a_bonus_on_national.html?id=lmYvAQAAMAAJ&redir_esc=y]

Veel van de argumenten die een centrale rol speelden in latere discussies kunnen in dit boek teruggevonden worden — van de werkloosheidsval tot flexibilisering van de arbeidsmarkt, van de lage benuttingspercentages naar de ideale aanvulling op winstdeling, maar de nadruk ligt op het voorbeeld van de “productivist” [http://nl.wikipedia.org/wiki/Productivisme]: de staatbonus kan zelfs gerechtvaardigd worden om redenen van doeltreffendheid alleen.

Milner’s voorstel werd enthousiast gesteund door collega Quaker Bertram Pickard, verdedigd door het kortlevende State Bonus League (Liga voor een Staatbonus), — onder wiens vlag Milner deel nam in een nationale verkiezing — in 1920 besproken op het congres van de Britse Labour Partij en het daarop volgende jaar definitief verworpen. [Over de Milners, Bertram Pickard, Major Douglas, James Meade, G.D.H. Cole en andere facetten van deze eerste publieke opkomst van het OBi, zie Van Trier (1995) http://www.basicincome.qut.edu.au/documents/most_neglected.pdf.]

Major Douglas en de Social Credit Movement

Het duurde echter niet lang voor een andere Engelse ingenieur, Clifford H. (“Major”) Douglas (1879-1952), het idee overnam en met aanzienlijk meer effect. Douglas was getroffen door de hoge productiviteit van de Britse industrie na de eerste Wereldoorlog en begon zich af te vragen wat de risico’s van overproductie zouden zijn. Hoe kan een bevolking, verarmd door vier jaar oorlog, de goederen nuttigen die in overvloed aanwezig zijn, als banken terughoudend zijn bij het geven van krediet en de koopkracht slechts heel langzaam stijgt? Om dit probleem op te lossen stelde Douglas (1924) in een reeks vaak wat warrige lezingen en geschriften, de invoering van ‘sociaal krediet’ mechanismen voor, waarvan één bestond uit het betalen van een maandelijks “nationaal dividend” aan alle huishoudens. De Social Credit Movement (Beweging voor Sociaal Krediet) genoot wisselend succes. Ze slaagde er niet in vaste voet te krijgen in het Verenigd Koninkrijk, maar trok veel aanhangers in Canada, waar een Social Credit Party (Partij voor Sociaal Krediet) de provincie Alberta tussen 1935 en 1971 regeerde, hoewel de partijleiding het idee om een nationaal dividend in te voeren snel liet vallen.

Cole en Meade over sociaal dividend

Terwijl de populariteit van de Beweging voor Sociaal Krediet eerst aanzwol en vervolgens weer afnam onder brede lagen van de Britse bevolking, won het idee van het OBi terrein in een kleine kring van intellectuelen rond de Britse Labour Partij. Prominent onder hen was de econoom George D.H. Cole (1889-1959), de eerste bekleder van Oxford’s Chichele Leerstoel voor Sociale en Politieke Theorie (later bezet door Isaiah Berlin, Charles Taylor en G.A. Cohen). In verschillende boeken verdedigde hij resoluut wat hij als eerste noemde “sociaal dividend” (Cole, 1935).

cole“Het huidige productievermogen is, in feite, het gemeenschappelijk resultaat van lopende inspanningen en het sociale erfgoed aan vindingrijkheid en vaardigheid verworven in de fase van vooruitgang en onderwijs dat nu zijn hoogtepunt bereikt in de produktie; en het heeft mij altijd alleen maar goed geleken dat alle burgers delen in de opbrengst van dit gemeenschappelijk erfgoed en dat alleen het saldo dat overblijft na aftrek van deze uitkeringen verdeeld dient te worden in de vorm van beloningen voor en prikkels aan diegenen die diensten verlenen aan de produktie.” (Cole 1944:144)

In zijn presentatie van J. S. Mill in History of Socialist Thought (Geschiedenis van het socialistische gedachtengoed; 1953) lijkt Cole ook de eerste geweest te zijn die naar het idee van een UBI (OBi) verwees door de Engelse uitdrukking “basic income” te gebruiken. De term “basic income” (basisinkomen) verspreidde zich snel toen de discussie in de tachtiger jaren internationaal werd. [De term basisinkomen verschijnt in de volgende context: “Mill beschouwde die vormen van socialisme die, ten koste van idealisme, een zekere graad van economische ongelijkheid accepteerden, als veel bruikbaarder. Op dit punt prees hij de fouriéristes, of liever gezegd die vorm van fouriérisme die eerst een basisinkomen toewees aan allen en vervolgens het overschot van de produktie in delen verspreidde over kapitaal, talent of verantwoordelijkheid en werk dat daadwerkelijk gedaan was.” (p. 310).

Het Nederlandse equivalent (basisinkomen) werd al in 1934 in zijn eigen land gebruikt door Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen (http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Tinbergen) in verband met besprekingen over het programma van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), http://nl.wikipedia.org/wiki/Sociaal-Democratische_Arbeiderspartij, één van de voorlopers van de huidige Partij van de Arbeid (PvdA), http://nl.wikipedia.org/wiki/Partij_van_de_Arbeid_%28Nederland%29.]

Een andere Oxford econoom, de Nobel laureaat James Meade (1907-1995), politiek minder actief maar met een veel bredere internationale reputatie dan Cole, verdedigde het “sociaal dividend” zelfs met nog grotere vasthoudendheid. Het idee van een sociaal dividend is als centraal bestanddeel van een rechtvaardige en efficiënte economie aanwezig in zijn Outline of an Economic Policy for a Labor Government (Schets van een Economisch Beleid voor een Labour Regering; 1935) en in verschillende andere vroege werken (Meade 1937, 1938). En het was ook een cruciaal onderdeel van het Agathotopia project, waaraan hij zijn laatste artikelen wijdde (1989, 1993, 1995): partnerschappen tussen kapitaal en arbeid en een sociaal dividend gefinancierd uit publieke middelen worden er gezamenlijk aangeboden als oplossing voor de problemen van werkloosheid en armoede.

http://www.google.sn/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&ved=0CCUQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.citizensincome.org%2Ffilelibrary%2FArchived%2520Newsletters%2FNewsletter%2C%2520James%2520Meade%2520commemorative%2520edition.doc&ei=9ylmVPeiKo7jav3mgvAH&usg=AFQjCNF9iblCTUik4dFPePLmLql8g2kFvw&bvm=bv.79400599,d.d2s&cad=rja.

Rond dezelfde tijd en plaats als het begrip “sociaal dividend” verscheen in het werk van James Meade, dook het ook op in een beroemde discussie over marktsocialisme door twee hoogleraren aan de London School of Economics, Oskar Lange (1904-1965) en Abba Lerner (1903-1982). In reactie op een opmerking van Lerner (1936), maakte Lange (1937) duidelijk dat de uitdrukking “sociaal dividend”, die hij gebruikt om te verwijzen naar het rendement op kapitaal dat in collectieve handen is, moet worden opgevat als onafhankelijk van bijdragen.

Het is tegen de achtergrond van deze discussie in het Interbellum dat mede-liberaal Juliet Rhys-Williams (1943) een plan voorstelde voor een “nieuw sociaal contract”, waarvan het kernelement bestond uit een basisinkomen. Universeel maar niet echt onvoorwaardelijk, want beschikbaarheid voor werk bleef noodzakelijk voor de uniforme toelage. De uitbetaling van de subsidie werd bijvoorbeeld opgeschort tijdens stakingen. Het was echter het alternatieve voorstel voor een nationaal minimuminkomen (onderdeel van een breder programma van samengevoeging van de nationale kinderbijslag en sociale verzekeringen) opgesteld in 1942 door een andere liberaal, William Beveridge, directeur van de London School of Economics, dat in Groot-Brittannië de overhand kreeg — en al snel elders in Europa zijn weg vond — waardoor OBi-achtige voorstellen degradeerden naar de rand van het beleidsrelevante debat in het Verenigd Koninkrijk.

5. Een kort bruisend leven: de Verenigde Staten in de jaren zestig.

Drie Amerikaanse benaderingen van het gegarandeerde minimum

Het is in het turbulente Amerika van de zestiger jaren, op het hoogtepunt van de burgerrechtenbeweging, dat vanuit drie belangrijke bronnen van inspiratie, zich weer een echt debat over het universele basisinkomen ontwikkelt.

Ten eerste verdedigde Robert Theobald [http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Theobald] (1929-1999) en zijn Ad hoc-Comité on the Triple Revolutie [http://en.wikipedia.org/wiki/The_Triple_Revolution]

(1964) in diverse publicaties een vaag omschreven gegarandeerd minimuminkomen op grond van overwegingen die herinneringen oproepen aan Douglas, zoals de overtuiging dat “automatisering betaald werk achterhaald maakt en dat overheidsgiften de enige manier zijn om het publiek de middelen te geven om de immense overvloed geproduceerd door robotten te kunnen kopen”.

Ten tweede stelde de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Milton Friedman (1912-2006), in zijn populaire Capitalism and Freedom (Kapitalisme en Vrijheid; 1962), een radicale vereenvoudiging van de Amerikaanse verzorgingsstaat voor door de invoering van wat hij daarin een ‘negatieve inkomstenbelasting’ noemde. Het voorstel van Friedman voor een lineaire negatieve inkomstenbelasting zou de inkomstenbelasting en overdrachtssystemen volledig integreren. Het werd aangeprezen als een eenvoudig en radicaal alternatief voor de lappendeken van bestaande regelingen voor sociale uitkeringen. Het plan zelf was bedoeld als een overgangsfase op weg naar een ideale, overdracht-vrije kapitalistische samenleving. [Voor Friedman’s eigen verklaring over het ontstaan van het idee en relevante referenties, zie de Suplicy-Friedman gedachtenwisseling in BIEN NewsFlash 3 mei 2000 → http://www.basicincome.org/bien/pdf/NewsFlash3.pdf.]

tobingalbraitTen slotte – de belangrijkste – James Tobin (1918-2002), John Kenneth Galbraith (1908-2006) en andere liberale economen die in een reeks artikelen het idee van een gewaarborgd minimuminkomen begonnen te verdedigen dat algemener en genereuzer zou zijn en minder afhankelijkheid zou creëren dan de bestaande hulp-programma’s. Tobin, Pechman en Miezkowski publiceerden de eerste technische analyse van regelingen inzake een negatieve inkomstenbelasting in 1967, waarin ze openlijk uitkwamen voor een variant, die een automatische betaling aan alle burgers garandeerde. Een echt OBi dat Joseph Pechman een “demogrant” wilde noemen. In tegenstelling tot het voorstel van Friedman was Tobin’s regeling voor demogrants niet bedoeld om het hele systeem van sociale bijstand en verzekeringen te vervangen — laat staan om te proberen om de verzorgingsstaat helemaal af te schaffen —, maar alleen om zijn zwakke onderdelen aan te passen zodat hij een efficiënter en werk-vriendelijker instrument wordt om de inkomens van de armen te verhogen. Volgens het voorstel van Tobin, dat guller was dan dat van Friedman en nauwkeuriger dan dat van Theobald, zou elk huishouden een basiskrediet ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk zou zijn van de samenstelling van het gezin. Iedere familie kon dat geld aanvullen met inkomsten uit arbeid en overige baten dat tegen een uniform tarief belast zou worden. [Zie voor relevante verwijzingen en Tobin’s eigen uitleg over hoe zijn demogrant-voorstel zich ontvouwde, de Suplicy-Tobin gedachtenwisseling in BIEN NewsFlash 11 September 2001 http://www.basicincome.org/bien/pdf/NewsFlash11.pdf]

Nixon’s Family Assistance Plan en McGovern’s steun voor de demogrant

In deze levendige en veelbelovende context in de lente van 1968 werd een petitie georganiseerd die het Amerikaanse Congres opriep “dit jaar een systeem van inkomensgaranties en supplementen aan te nemen”. Ze werd gesteund door James Tobin, Paul Samuelson, John Kenneth Galbraith, Robert Lampman, Harold Watts en meer dan duizend andere economen, hoewel niet door Milton Friedman. In een context waarin het beroep op het bestaande inkomensafhankelijke sociale zekerheidsstelsel drastisch toenam, droeg deze petitie bij aan het ontstaan van een klimaat waarin de regering begreep dat zij het voortouw moest nemen. Dit leidde tot het Family Assistance Plan (FAP; Plan voor Bijstand aan Gezinnen), een ambitieus sociaal programma opgesteld door de democratische senator Daniel Patrick Moynihan (1927-2003) in opdracht van de regering van de Republikeinse president Richard Nixon. De FAP voorzag in de afschaffing van het hulpprogramma gericht op arme gezinnen (AFDC) en zorgde voor een gegarandeerd inkomen met financiële supplementen voor werknemers dat dicht in de buurt kwam van een regeling voor een negatieve inkomstenbelasting. [FB: pas in 1996 werd de AFDC (Aid to Families with Dependent Children) vervangen door TANF (Temporary Assistance to Needy Families), zie http://en.wikipedia.org/wiki/Aid_to_Families_with_Dependent_Children]

Het werd in het openbaar gepresenteerd door President Nixon in augustus 1969, in april 1970 met een grote meerderheid in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden aangenomen, in november 1970 door de desbetreffende Commissie van de Amerikaanse Senaat afgewezen en in 1972 definitief verworpen door een coalitie tussen degenen die het te mager vonden en degenen die het te royaal vonden, ondanks verscheidene amendementen bedoeld om de oppositie tegemoet te komen.

Op advies van James Tobin werd een meer ambitieus plan voor de “demogrant” opgenomen in het programma voor de presidentsverkiezingen van 1972 van de democraat George McGovern, maar in augustus 1972 ingetrokken. In combinatie met McGovern’s nederlaag tegen Nixon in november 1972, het begin van het Watergate-schandaal in maart 1973 en Nixon’s aftreden in november 1974, markeerde de verijdeling van de FAP in de Senaat het einde van de korte maar stormachtige opkomst van OBi-achtige ideeën in het debat in de VS.

De discussie ging echter door binnen meer academische kaders op grond van vijf grootschalige experimenten met regelingen voor een negatieve inkomstenbelasting (vier in de VS en één in Canada) en geschilpunten over de resultaten.

6. Nieuwe koers: Noord-West-Europa in de tachtiger jaren

De eerste initiatieven: debatten in Denemarken en Nederland

Aan het einde van de zeventiger jaren, toen het debat over de demogrant vrijwel vergeten was in de Verenigde Staten, ontstond vanuit het niets in een aantal Europese landen discussie over een OBi, in totale onwetendheid van eerdere gedachtenwisselingen in Europa of Amerika.

Dus verdedigden in Denemarken drie academici een OBi-plan onder de naam “burgerloon” in een nationale bestseller die later in het Engels vertaald werd onder de titel Revolt from the Center [Opstand van het Midden, Meyer et al, 1978. Zie voor meer informatie onder andere http://www.lausti.com/articles/work/andersson.htm;
http://www.amazon.com/Revolt-Centre-Niels-I-Meyer/dp/0714527025/ref=sr_1_3?s=books&ie=UTF8&qid=1415789632&sr=1-3; http://rudar.ruc.dk/handle/1800/17104;
http://vbn.aau.dk/files/175508877/Paper_Christensen_Ydesen.pdf]

Maar vooral in Nederland maakte de nieuwe Europese discussie over het OBi een vliegende start. De eerste stem die in dit debat gehoord werd, was die van J.P. Kuiper, een hoogleraar in de Sociale Geneeskunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij was getroffen door wat hij zag gebeuren: sommige mensen werkten zich letterlijk ziek, terwijl anderen ziek werden omdat zij geen werk konden vinden. Hij adviseerde daarom werk en inkomen te ontkoppelen als een manier om het de-humaniserende karakter van betaalde arbeid tegen te gaan: alleen een fatsoenlijk “gewaarborgd inkomen”, zoals hij het noemde, zou mensen in staat stellen om zich onafhankelijk en autonoom te ontwikkelen (Kuiper, 1976).

In 1977 nam de kleine radicale partij (Politieke Partij Radikalen, PPR), een linkse afsplitsing van de Katholieke Volkspartij (KVP) en één van de voorlopers van GroenLinks, als eerste Europese politieke partij met parlementaire vertegenwoordiging officieel een OBi (onvoorwaardelijk basisinkomen) op in haar verkiezingsprogramma. De beweging groeide vrij snel, dankzij de betrokkenheid van de vakbond voor de voedingssector, de Voedingsbond, een onderdeel van de overkoepelende Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Door het uitzonderlijk hoge aandeel aan vrouwen en deeltijdwerkers onder zijn leden, speelde de Voedingsbond een belangrijke rol in het Nederlandse debat in de jaren 1980. De bond nam het initiatief tot een reeks publicaties en acties waarin een OBi, gecombineerd met een drastische arbeidstijdverkorting verdedigd werd en verleende onderdak aan de Vereniging Basisinkomen in zijn gebouwen.

In 1985 bereikte het debat in Nederland een eerste hoogtepunt toen de prestigieuze Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een sensatie veroorzaakte door de publicatie van Waarborgen voor Zekerheid [http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-Rapporten/Waarborgen_voor_zekerheid.pdf]. In dit rapport sprak de raad zich ondubbelzinnig uit voor de introductie van een zogenaamd “gedeeltelijk basisinkomen”. Zo’n gedeeltelijk basisinkomen is een echt OBi, maar op een niveau onvoldoende hoog om in de behoeften van een alleenstaande te vooorzien en daarom niet geschikt als vervanging van het bestaande, voorwaardelijke systeem van sociale zekerheid.

Ontwikkelingen in Groot-Brittannië en Duitsland

Rond dezelfde tijd begon het debat ook in andere landen vorm aan te nemen, hoewel discreter. In 1984 vormde een groep academici en activisten, die zich rond Bill Jordan en Hermione Parker verzameld hadden, de Basic Income Research Group (BIRG; Onderzoeksgroep Basisinkomen) onder de bescherming van de National Council for Voluntary Organizations (Nationale Raad voor Vrijwilligersorganisaties) – waaruit in 1998 het Citizen’s Income Trust (Bond voor een Burgerinkomen) ontstond. Ondanks de niet-aflatende steun van onafhankelijke geesten als de adjunct-redacteur van de Financial Times, Samuel Brittan en de welwillende houding ten opzichte van het idee waar de liberaal-democratische partij blijk van gaf, slaagde het OBi er niet in om de brede politieke middenstroom te bereiken — behalve in de zeer afgezwakte vorm van een babybond — noch in Blair’s New Labour beleid, noch onder Thatcher’s neo-liberalisme.

In Duitsland kreeg Thomas Schmid, een eco-libertair uit Berlijn, de discussie op gang met zijn Liberation from False Labor (Bevrijding van Foute Arbeid, Schmid ed., 1984.) Diverse collectieve uitgaven afkomstig uit de groene beweging gaven richting aan en ontwikkelden dit eerste initiatief (Opielka & Vobruba 1986; Opielka & Ostner 1987).

Op hetzelfde moment begon Joachim Mitschke (1985), hoogleraar Openbare Financiën aan de Universiteit van Frankfurt, een lange campagne ten gunste van een burgerinkomen (Bürgergeld) dat in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting uitgekeerd zou worden. De val van de Berlijnse muur (1989) en de daaruit voortvloeiende hereniging van Duitsland (oktober 1990) maakte echter voor langere tijd een einde aan deze beginnende publieke discussie, ondanks de steun die zij genoot van gerenommeerde academici als Claus Offe (1992, 1996), gerelateerd aan de Groenen en in mindere mate Fritz Scharpf (1993), gelieerd aan de Sociaal-Democraten. Pas rond 2005 nadat de hereniging min of meer verwerkt was, genereerde een verrassende toenadering een rijk nationaal debat.

Het debat over een basisinkomen in Frankrijk

In Frankrijk kwam de discussie langzamer van de grond. De invloedrijke linkse socioloog en filosoof André Gorz (1923-2007) pleitte aanvankelijk voor een levenslang basisinkomen dat gekoppeld was aan een algemene sociale dienstplicht van 20.000 uur (Gorz 1985). Maar zijn angst voor een sociaal leven dat volledig gekoloniseerd zou worden door betaalde arbeid zette hem ertoe aan een onvoorwaardelijk inkomen te verdedigen(Gorz 1997).

Een heel andere invalshoek bood Yoland Bresson (1984, 1994, 2000), naar eigen zeggen een econoom van links-gaullistische huize, in een ingewikkelde redenering ten gunste van een universeel “bestaansinkomen” dat zou moeten worden vastgesteld op een objectief door de waarde tijd bepaald niveau.

Alain Caillé (1987, 1994, 1996), leider van de “Movement against Utilitarianism in the Social Sciences” (Beweging tegen Utilitarisme in de Sociale Wetenschappen of MAUSS) stelde een onvoorwaardelijk inkomen voor om het fundamentele vertrouwen van de samenleving in hen die zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt te tonen en in hun vermogen en bereidheid om te investeren in activiteiten van collectief belang.

En Jean-Marc Ferry (1995, 2000), een filosoof uit de Habermas traditie, stelde in een betoog een OBi voor als een recht op burgerschap op het niveau en in de context van de Europese Unie, waarbij hij ervan uitgaat dat volledige werkgelegenheid in zijn oude betekenis voor altijd buiten bereik zal blijven en waar een “kwartaire sector” van maatschappelijk nuttige activiteiten moet worden ontwikkeld.

[Onderschrift bij foto. De oprichtingsvergadering van BIEN in Louvain-la-Neuve (België), 1986. Van links naar rechts op het podium: Riccardo Petrella, Greetje Lubbi, Anne Miller, Nic Douben, Philippe Van Parijs, Claus Offe, Bill Jordan.]

De geboorte en uitbreiding van BIEN

Deze bescheiden nationale debatten ontstonden onafhankelijk van elkaar. De intellectuelen die er aan deelnamen, waren niet op de hoogte van het grootste deel van de geschiedenis van het idee, zo niet van alles. Ze kwamen evenwel geleidelijk met elkaar in contact dankzij de oprichting van BIEN. In maart 1984 publiceerde een groep onderzoekers en vakbondsleden verbonden aan de Universiteit van Leuven (België) een provocerend OBi-scenario onder het gezamenlijke pseudoniem “Collectief Charles Fourier”. Het scenario deed mee aan een wedstrijd over de toekomst van werk, dat het Collectief een prijs opleverde waarmee het in Louvain-la-Neuve (België) in September 1986 de allereerste bijeenkomst organiseerde waar OBi aanhangers uit verschillende landen aan deelnamen. Aangenaam verrast door de ontdekking dat zoveel mensen geïnteresseerd waren in een idee waarvan ze dachten dat ze er bijna alleen voorstonden, besloten de deelnemers om het Basic Income European Network (Europees Netwerk voor een Basisinkomen, BIEN) op te richten. BIEN publiceert een regelmatige nieuwsbrief en organiseert om de twee jaar een conferentie. [http://www.basicincome.org/bien/]

start-bien

De oprichtingsvergadering van BIEN in Louvain-la-Neuve (België), 1986. Van links naar rechts op het podium: Riccardo Petrella, Greetje Lubbi, Anne Miller, Nic Douben, Philippe Van Parijs, Claus Offe, Bill Jordan.

De geboorte van soortgelijke netwerken in de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en Zuid-Afrika, de intensivering van de contacten met reeds bestaande netwerken in Australië en Nieuw-Zeeland en de aanwezigheid van een toenemend aantal niet-Europeanen op conferenties, noopte de organisatie er toe om op haar 10e Congres, die in September 2004 in Barcelona gehouden werd, de betekenis van de afkorting BIEN om te zetten in Basic Income Earth Network (Mondiaal Netwerk voor een Basisinkomen). In oktober 2006 vond aan de Universiteit van Kaapstad (Zuid-Afrika) het eerste congres van dit nieuw gecreëerde, wereldwijde netwerk buiten Europa plaats.

7. Bescheiden maar echt: Alaska’s dividenden

De introductie en ontwikkeling van het enige systeem met een echt basisinkomen dat vandaag de dag bestaat, vond plaats ver weg van deze debatten. In het midden van de jaren zeventig verontrustte het Jay Hammond, de Republikeinse gouverneur van de staat Alaska (Verenigde Staten), dat de enorme rijkdom gegenereerd door de oliewinning in de Prudhoe Bay, het grootste olieveld in Noord-Amerika, alleen de huidige bevolking van de staat ten goede zou komen. Hij stelde de oprichting van een fonds voor om ervoor te zorgen dat deze rijkdom behouden zou blijven door een deel van de opbrengsten uit olie te investeren. In 1976 werd het Alaska Permanent Fund ingesteld door een amendement op de Grondwet van de Staat. Om de betrokkenheid van de bevolking in Alaska te stimuleren bij de groei en continuïteit van het Fonds, bedacht gouverneur Hammond een jaarlijkse dividendbetaling voor alle inwoners – maar in verhouding tot het aantal jaren dat zij in de staat verbleven.

Toen het voorstel ter beoordeling werd voorgelegd aan het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten, oordeelde dit College – op grond van discriminatie van immigranten uit andere staten – dat het in strijd was met de “gelijke beschermingsclausule”, het veertiende amendement van de federale grondwet. Het voorstel werd gewijzigd om dit bezwaar te ondervangen en omgevormd tot een echt universeel basisinkomen. Sinds de invoering van het programma in 1982 heeft iedereen die voor tenminste zes maanden officieel woonachtig is in Alaska – op dit moment ongeveer 650.000 mensen – ieder jaar een gelijk dividend ontvangen, ongeacht de leeftijd en het aantal jaren dat men in de staat verblijft.

Dit dividend komt overeen met een deel van de gemiddelde rente over de afgelopen vijf jaar op het permanente fonds opgezet met behulp van de inkomsten uit olie-exploitatie. Het Fonds werd in eerste instantie uitsluitend in de economie van de staat geïnvesteerd, maar werd later een internationale portefeuille, zodat de distributie van het dividend schommelingen in de lokale economie kon opvangen in plaats van ze te verergeren (Goldsmith, 2004). In de eerste jaren bedroeg het dividend ongeveer 300 dollar per persoon per jaar, maar in het jaar 2000 liep dit op tot bijna $ 2.000, tot de beurs kelderde en het dividend in de loop van een paar jaar gehalveerd werd. In 2008 piekten de jaarlijkse dividenden echter weer en kon $ 2.069 per persoon uitgekeerd worden. Alaska’s regeling voor de verdeling van de olie-dividenden is herhaaldelijk aan andere delen van de wereld ten voorbeeld gesteld, maar is nog steeds uniek – en heeft Alaska tot de meest egalitaire onder de Amerikaanse staten gemaakt.

“De geschiedenis van het basisinkomen” is gebaseerd op hoofdstuk 1 van L’allocation universelle (Het Basisinkomen) door Yannick Vanderborght en Philippe Van Parijs (aan een uitgebreide Engelse versie wordt gewerkt; deze zal gepubliceerd worden door Harvard University Press). De webversie is bewerkt en ingekort door Simon Birnbaum en Karl Widerquist. Zie voor de volledige lijst met referenties, Vanderborght, Yannick & Van Parijs Philippe (2005), L’allocation universelle, Parijs: La Découverte. Voor het laatste nieuws en publicaties over het basisinkomen, klik hier http://www.basicincome.org/bien/news.html. Voor een uitgebreide bibliografie, klik hier http://www.usbig.net/bibliography.html.

Oorspronkelijk gepubliceerd als History of Basic Income, Part One and Two op http://www.basicincome.org/bien/aboutbasicincome.html

Uit het Engels en Frans vertaald door Florie Barnhoorn

Aanvulling: 

8. Op naar een Europees Onvoorwaardelijk Basisinkomen

In 2012 werd er in Europa de mogelijkheid geschapen om een burgerinitiatief te starten dat bij het behalen van 1 miljoen ondertekeningen een voorstel voor het Europees parlement kan laten komen. Hiervan werd gebruik gemaakt om een Europees Burgerinitiatief  voor Onvoorwaardelijk Basisinkomen (ECI-UBI) te starten dat in 2013 werd gelanceerd als de eerste stap op weg naar de consolidatie van een beweging voor basisinkomen in Europa. Dit initiatief – de eerste in zijn soort in de wereld – behaalde 300.000 ondertekeningen vanuit  de 28 landen in de hele EU.

Het initiatief stond aan de basis van het creëren van nieuwe groepen in Europa voor het bevorderen van het OBi/ UBI in verschillende Europese landen, zoals Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Portugal, Hongarije, Roemenië en Bulgarije.

eci-committe-brussels

De deelnemers van de eerste vergadering in Brussel

De voorbereidingen voor het Europees burgerinitiatief startte in april 2012, met een eerste bijeenkomst georganiseerd in het Europees Parlement in Brussel.

Ongeveer 50 deelnemers uit heel Europa namen deel en besloten om een “Working European Citizens Committee” te vormen. Deze commissie kwam elk  kwartaal bijeen en werd het informele besluitvormingsorgaan van de ECI-campagne. Sinds april 2012 is de commissie bijeengekomen in Parijs, (juli 2012) München (september 2012), Firenze (oktober 2012), Straatsburg (februari 2013), Koln (mei 2013), Berlijn (september 2013, Luxemburg (december 2013).

european-initiative-basic-income

UBIE oprichtingscommitee 17 ferburari 2014 te Brussel

Op de laatste vergadering in Luxemburg, heeft commissie unaniem besloten om een nieuwe formele organisatie op te richten om,  met het momentum dat het Europees burgerinitiatief  heeft gegeven, de Basisinkomenbeweging in Europa verder uit te bouwen.

Een volgende bijeenkomst vond plaats in Brussel op 17 februari met de organisatoren uit 17 Europese landen, waaronder Noorwegen. Er werd besloten om onze organisatie “Unconditional Basic Income Europe” (UBIE) noemen. http://ubie.org

In september 2014 volgde een volgende congres vanhet UBIE in Athene http://ubie.org/news/2014/09/ubie-athens-summit-livestream/

Vanaf 2015 wordt er een serie van vijf conferenties over het thema “UBI in Europa – Bevordering van de civiele samenleving” georganiseerd om  het Onvoorwaardelijk Basisinkomen (OBi/UBI) in Europa  te bevorderen. http://ubie.org/news/2014/11/call-participation-conference-maribor/

9. Het momentum zet door in de rest van de wereld

Door sociale media is de informatievoorziening over Basisinkomen in de hele wereld op een hoger pijl komen te staan en het is onwaarschijnlijk dat het Basisinkomen van de politieke agenda zal verdwijnen.
http://www.reddit.com/r/BasicIncome/

The post De geschiedenis van het basisinkomen appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

“Call for papers” voor conferentie over Basisinkomen in Maribor, Slovenië

banner-ubie-maribor-v2Het nieuwe Europese netwerk voor een onvoorwaardelijk basisinkomen (UBIE – Unconditional Basic Income Europe) organiseert een reeks conferenties. De eerste oproep voor deelname begonnen. Bijdragen voor de eerste conferentie op 119 en 20 maart 2015 in Maribor, Slovenië met de titel “Onvoorwaardelijk Basisinkomen als een reactie op de sociale ongelijkheid in Europa” zijn van harte welkom. U kunt het bericht online vinden via http://ubie.org/news/2014/11/call-participation-conference-maribor/

Om verschillende bijdragen van wetenschappers te ontvangen met een contextuele achtergrond als het realiseren van een brede Europese dimensie, vragen wij u om dit bericht onder uw internationale en nationale netwerken en potentieel geïnteresseerde activisten en wetenschappers te verdelen.

Met vriendelijke groet,
Stefan Füsers
UBIEurope

The post “Call for papers” voor conferentie over Basisinkomen in Maribor, Slovenië appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

Commissie van aanbeveling onderzoek Basisinkomen ingesteld

commissie

commissieSinds begin dit jaar zijn “we” bezig met het vormen van een commissie van aanbeveling, respectievelijk adviesraad met behulp waarvan wij hopen meer kans te maken op politiek draagvlak voor het doen van experimenten met een Onvoorwaardelijk Basisinkomen.

Dit streven heeft vrijdag 21 november 2014 een enorme stimulans gekregen. Tijdens het toekomstfestival Let’s Gro in Groningen vond op initiatief van MIES Lab een expertmeeting plaats om samen te denken over een proef met een Onvoorwaardelijk Basisinkomen (OBi).

Tijdens de gesprekken zowel in als buiten de werkgroepen werd het ten eerste mogelijk de commissie van aanbeveling een hechte vorm aan te laten nemen. De volgende personen heb ik bereid gevonden hier zitting in te nemen:

  • Anja Eleveld, docent/onderzoeker verbonden aan de afdeling Sociaal Recht van de VU
  • Arjo Klamer, prof. economie, wethouder S&W Hilversum,
  • Bart Nooteboom, part-time professor Innovation policy
  • Cornelis Zwart,  sociaal econoom, em. prof. sociale pedagogiek en em. prof. organisatieontwikkeling en menselijke kwaliteit
  • Gerard te Meerman, universitair hoofddocent (Dept. of Genetics), biostatisticus
  • Hans Weggemans, directeur Wijkontwikkeling, Zorg en Welzijn Enschede
  • Henk de Vos, em. universitair hoofddocent sociologie
  • Jan Rotmans, prof. transities en transitiemanagement
  • Joop Roebroek, Senior Consultant Bureau Vertige/Developing social innovation
  • Klaas van Egmond, hoogleraar Geowetenschappen (in het bijzonder Milieukunde en Duurzaamheid)
  • Liesbeth van Tongeren, lid van de Tweede Kamer voor GroenLinks, woordvoerder Economische Zaken, Infrastructuur en Milieu en Veiligheid en Justitie.
  • Loek Groot, universitair hoofddocent Economie van de publieke sector
  • Martha Meerman, lector Gedifferentieerd Human Resource Management
  • Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen

Een  tweede resultaat is de constatering, dat het in meerdere steden inderdaad menens is om een experiment met het OBi te gaan doen.

Thema van de groep waar ik aan meedeed was: “Hoe kunnen we de bijstandsregeling zo veranderen dat het weer een duidelijk teken ervan is dat je op de ‘overheid’ (de gemeenschap dus) kan rekenen”. Het huidige teken waar de bijstandsregeling in staat lijkt namelijk verouderd, bevoogdend, stigmatiserend en ondoelmatig. Een duidelijk geval dat pleit voor de invoering van een OBi lijkt het.

Dit is er immers op gericht ons van deze betutteling, onderwerping en stigmatisering te bevrijden, doordat het iedereen van deze afhankelijkheid ontslaat door te zorgen voor een gegarandeerde en onvoorwaardelijke financiële basis om in je basisbehoeften te kunnen voorzien. De voorstanders verwachten van de invoering daarvan een heleboel zegeningen, zoals die uit experimenten op verschillende plaatsen in de wereld al zijn naar voren zijn gekomen. Tegenstanders trekken al deze te verwachten voordelen echter in twijfel en verwachten soms zelfs juist de tegenbeelden ervan. Beide kampen debatteren echter op aannames. De voorstanders op de aanname dat resultaten elders hier ook gegarandeerd behaald zullen worden. Juist dit zullen we echter moeten bewijzen (of juist het tegendeel ervan) door het doen van experimenten.

Met behulp van de inbreng van een aantal sociale wetenschappers, een statisticus, een jurist en een aantal ervaringsdeskundigen (al of niet verenigd in een en dezelfde persoon) kwamen we tot de volgende aanbeveling:

  1. Beschrijf de contouren van het onderzoek rekening houdend met onderstaande.
  2. Stel met de gemeente waar je dit experiment wil doen een contract op waarin de contouren van het onderzoek goed staan beschreven en alle voorwaarden waaraan moet worden voldaan en door wie.
  3. Maak een brief waarin je duidelijk aan de beoogde deelnemers uitlegt wat de bedoeling is.
    Waarom de ene groep wel een OBi krijgt in de plaats van een bijstandsuitkering (terwijl mogelijk bijzondere regelingen daarnaast nog nodig blijven) en waarom de situatie in dit opzicht voor de andere groep niet veranderd
  4. Kies een wijk waarin veel bijstandsuitkeringsgerechtigden wonen
  5. Werk daarin met groepen van minstens 1000 personen.
  6. Vergelijk een groep die wel een OBi krijgt met een groep, die dat niet krijgt (met eventuele subgroepen, waarmee naar speciale effecten kan worden gekeken)
  7. Verzamel na verloop van een bepaalde tijd de gegevens die je wilt hebben..
  8. Vorm eventueel groepen die twee jaar in het onderzoek opgenomen zullen zijn en groepen waarvoor het experiment vier of vijf jaar zal lopen.
  9. Formuleer vooraf wanneer het experiment pleit voor de invoering van een OBi, ook elders of overal, en wanneer juist niet

Tenslotte lijkt deze aanpak geschikt om een ontwerp te maken, dat in ieder gebied – dat groot genoeg is voor het vormen van onderzoeksgroepen – toegepast zou kunnen worden, zodat men niet overal het wiel hoeft uit te vinden.

Ik hoop, dat het lukt in de eerste helft van december een constituerende vergadering voor de beoogde commissie van aanbeveling te kunnen beleggen, om daarna – naar aanleiding van bovenvermelde  – snel van start te kunnen gaan met het maken van zo een ontwerp, dat daarna landelijk voor elk van dit soort experimenten kan worden gebruikt.

Met hartelijke groet,

Adriaan Planken.

Het bericht Commissie van aanbeveling onderzoek Basisinkomen ingesteld verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Commissie van aanbeveling onderzoek Basisinkomen ingesteld

commissieSinds begin dit jaar zijn “we” bezig met het vormen van een commissie van aanbeveling, respectievelijk adviesraad met behulp waarvan wij hopen meer kans te maken op politiek draagvlak voor het doen van experimenten met een Onvoorwaardelijk Basisinkomen.

Dit streven heeft vrijdag 21 november 2014 een enorme stimulans gekregen. Tijdens het toekomstfestival Let’s Gro in Groningen vond op initiatief van MIES Lab een expertmeeting plaats om samen te denken over een proef met een Onvoorwaardelijk Basisinkomen (OBi).

Tijdens de gesprekken zowel in als buiten de werkgroepen werd het ten eerste mogelijk de commissie van aanbeveling een hechte vorm aan te laten nemen. De volgende personen heb ik bereid gevonden hier zitting in te nemen:

  • Anja Eleveld, docent/onderzoeker verbonden aan de afdeling Sociaal Recht van de VU
  • Arjo Klamer, prof. economie, wethouder S&W Hilversum,
  • Bart Nooteboom, part-time professor Innovation policy
  • Cornelis Zwart,  sociaal econoom, em. prof. sociale pedagogiek en em. prof. organisatieontwikkeling en menselijke kwaliteit
  • Gerard te Meerman, universitair hoofddocent (Dept. of Genetics), biostatisticus
  • Hans Weggemans, directeur Wijkontwikkeling, Zorg en Welzijn Enschede
  • Henk de Vos, em. universitair hoofddocent sociologie
  • Jan Rotmans, prof. transities en transitiemanagement
  • Joop Roebroek, Senior Consultant Bureau Vertige/Developing social innovation
  • Klaas van Egmond, hoogleraar Geowetenschappen (in het bijzonder Milieukunde en Duurzaamheid)
  • Liesbeth van Tongeren, lid van de Tweede Kamer voor GroenLinks, woordvoerder Economische Zaken, Infrastructuur en Milieu en Veiligheid en Justitie.
  • Loek Groot, universitair hoofddocent Economie van de publieke sector
  • Martha Meerman, lector Gedifferentieerd Human Resource Management
  • Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen

Een  tweede resultaat is de constatering, dat het in meerdere steden inderdaad menens is om een experiment met het OBi te gaan doen.

Thema van de groep waar ik aan meedeed was: “Hoe kunnen we de bijstandsregeling zo veranderen dat het weer een duidelijk teken ervan is dat je op de ‘overheid’ (de gemeenschap dus) kan rekenen”. Het huidige teken waar de bijstandsregeling in staat lijkt namelijk verouderd, bevoogdend, stigmatiserend en ondoelmatig. Een duidelijk geval dat pleit voor de invoering van een OBi lijkt het.

Dit is er immers op gericht ons van deze betutteling, onderwerping en stigmatisering te bevrijden, doordat het iedereen van deze afhankelijkheid ontslaat door te zorgen voor een gegarandeerde en onvoorwaardelijke financiële basis om in je basisbehoeften te kunnen voorzien. De voorstanders verwachten van de invoering daarvan een heleboel zegeningen, zoals die uit experimenten op verschillende plaatsen in de wereld al zijn naar voren zijn gekomen. Tegenstanders trekken al deze te verwachten voordelen echter in twijfel en verwachten soms zelfs juist de tegenbeelden ervan. Beide kampen debatteren echter op aannames. De voorstanders op de aanname dat resultaten elders hier ook gegarandeerd behaald zullen worden. Juist dit zullen we echter moeten bewijzen (of juist het tegendeel ervan) door het doen van experimenten.

Met behulp van de inbreng van een aantal sociale wetenschappers, een statisticus, een jurist en een aantal ervaringsdeskundigen (al of niet verenigd in een en dezelfde persoon) kwamen we tot de volgende aanbeveling:

  1. Beschrijf de contouren van het onderzoek rekening houdend met onderstaande.
  2. Stel met de gemeente waar je dit experiment wil doen een contract op waarin de contouren van het onderzoek goed staan beschreven en alle voorwaarden waaraan moet worden voldaan en door wie.
  3. Maak een brief waarin je duidelijk aan de beoogde deelnemers uitlegt wat de bedoeling is.
    Waarom de ene groep wel een OBi krijgt in de plaats van een bijstandsuitkering (terwijl mogelijk bijzondere regelingen daarnaast nog nodig blijven) en waarom de situatie in dit opzicht voor de andere groep niet veranderd
  4. Kies een wijk waarin veel bijstandsuitkeringsgerechtigden wonen
  5. Werk daarin met groepen van minstens 1000 personen.
  6. Vergelijk een groep die wel een OBi krijgt met een groep, die dat niet krijgt (met eventuele subgroepen, waarmee naar speciale effecten kan worden gekeken)
  7. Verzamel na verloop van een bepaalde tijd de gegevens die je wilt hebben..
  8. Vorm eventueel groepen die twee jaar in het onderzoek opgenomen zullen zijn en groepen waarvoor het experiment vier of vijf jaar zal lopen.
  9. Formuleer vooraf wanneer het experiment pleit voor de invoering van een OBi, ook elders of overal, en wanneer juist niet

Tenslotte lijkt deze aanpak geschikt om een ontwerp te maken, dat in ieder gebied – dat groot genoeg is voor het vormen van onderzoeksgroepen – toegepast zou kunnen worden, zodat men niet overal het wiel hoeft uit te vinden.

Ik hoop, dat het lukt in de eerste helft van december een constituerende vergadering voor de beoogde commissie van aanbeveling te kunnen beleggen, om daarna – naar aanleiding van bovenvermelde  – snel van start te kunnen gaan met het maken van zo een ontwerp, dat daarna landelijk voor elk van dit soort experimenten kan worden gebruikt.

Met hartelijke groet,

Adriaan Planken.

The post Commissie van aanbeveling onderzoek Basisinkomen ingesteld appeared first on Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

De ECB zou geld moeten uitdelen: € 5000 voor iedereen!

ecb

ecbDat klinkt fantastisch: Twee gerenommeerde economen[1] bepleiten dat de ECB geld moet geven aan de burgerij of schulden moet kwijtschelden. Ze hopen dat de economie daardoor wordt versterkt.

Dat zou een leuke verrassing zijn: Stel je voor dat je op het volgende bankafschrift een bijschrijving van de Europese Centrale Bank zou vinden ten bedrage van € 5.000. Ieder huishouden in de eurozone zou deze meevaller ontvangen of schulden worden kwijtgescholden ter grootte van dat bedrag. Wat klinkt als een onwerkelijke droom, is economisch lang niet zo’n slecht idee.
Met deze geschenkactie zou de centrale bank twee vliegen in één klap slaan: De economische recessie in Europa en de afgenomen koopkracht van de consumenten. In plaats van het geld uit te geven, zetten de mensen het op een spaarrekening. Aankopen stellen zij liever uit. Maar deze afwachtende houding schaadt het Europese bedrijfsleven. Een auto kopen? Liever nog niet. Eindelijk een nieuwe wasmachine aanschaffen? Liever even wachten. Met de schenking van de ECB zouden dergelijke aankopen wel zijn gedaan. Dat zou de economie stimuleren, aldus de “Koerier”.

De fouten van de ECB
En het voorstel heeft nog een tweede effect: De deflatie zou worden afgeremd. Want als er weer meer aankopen worden gedaan stijgen ook de prijzen. Ook dat steunt de economie.
Het is een idee van de Amerikaanse professor in de economie Mark Blyth van de Brown University en de beroemde management consultant Daniel Stelter, die eerder werkzaam was bij de Boston Consulting Group. Blyth is van mening dat de ECB 2 tot 5% van het bbp (bruto binnenlands product) onder de burgers zou moeten verdelen, oftewel € 3600 per persoon. “Ja, of 5000 €, dat maakt niet uit. Het zou altijd nog efficiënter zijn dan wat de ECB nu doet,” zegt Blyth in de Koerier. “Dat is namelijk de vreemdste manier om de problemen op te lossen.”
Beiden bekritiseren fel het monetaire beleid dat de ECB voert: Geld besteden om goedkope leningen aan te bieden levert niets op. Buitendien zouden ondernemingen tegenwoordig grote investeringen moeten mijden. En anderzijds zouden mensen momenteel, door het gevaar hun baan te verliezen, geen krediet moeten nemen omdat dat een blok aan het been kan worden.

Niet te vroeg lachen
Voor de ECB is een dergelijke stap nu echter nauwelijks denkbaar. Het economisch effect van rechtstreeks geld onder de burgerij verdelen zou ook snel in rook kunnen opgaan. Tot nog toe belandt het geld vrijwel rentevrij bij de banken, die het vervolgens als krediet moeten doorgeven. Maar het goedkope geld helpt niet omdat het niet bij de ondernemingen aankomt. In plaats van meer kredieten te verstrekken potten de banken het geld op.

  • Auteur Katharina Grimm
    http://www.stern.de/wirtschaft/geld/oekonomen-fordern-5000-euro-fuer-alle-2153608.html
  • Vrije vertaling: Joop Böhm
  • Commentaar:
    Dezelfde effecten kunnen ook bereikt worden met een Onvoorwaardelijk Basisinkomen. Dan echter is het effect duurzaam. Bovendien heeft invoering van een OBi nog een groot aantal voordelen die bij een eenmalige schenking ontbreken. Het wordt hoog tijd dat de verantwoordelijke overheden de juiste beslissingen gaan nemen.

[1]

Het bericht De ECB zou geld moeten uitdelen: € 5000 voor iedereen! verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Drie misverstanden opgehelderd over basisinkomen

De discussie over het basisinkomen woedt volop in Nederland. Van links tot rechts schuiven de vooroordelen over tafel.

Het basisinkomen is een maandelijks onvoorwaardelijk geldbedrag dat aan iedereen individueel wordt uitgekeerd, en is ten minste hoog genoeg om sober in je levensonderhoud te kunnen voorzien.

Helaas leiden discussies over het basisinkomen vaak tot verwarring als gevolg van een aantal misverstanden. Sjir Hoeijmakers, lid van verenigng Basisinkomenen indiener van de D66 motie over onderzoek naar basisinkomen[1], zal een poging doen drie van die misverstanden op te helderen.

  1. Ten eerste bestaat in sommige rechtse kringen het misverstand dat het basisinkomen een exclusief links idee is. Het basisinkomen heeft zeker supporters aan de linkerzijde van het politieke spectrum, maar heeft ook bij liberalen veel steun. Niet voor niets was het juist het D66-congres dat haar steun voor onderzoek naar het basisinkomen uitsprak. En oud-ministers Gerrit Zalm (Financiën, VVD) en Hans Wijers (Economische Zaken, D66) waren al fervente voorstanders.

Een basisinkomen verkleint de rol van de overheid, en versimpelt de sociale zekerheid. Burgers zijn volledig vrij om te bepalen wat zij met het ontvangen inkomen willen doen, en er hoeft geen controle meer plaats te vinden. Daarnaast zorgt een basisinkomen op zichzelf niet voor een grote netto herverdeling, zoals sommigen beweren. De meeste mensen betalen hun eigen basisinkomen via de belastingen direct weer terug. Bovendien is het basisinkomen een idee dat vertrouwt op de eigen kracht en motivatie van mensen. Het past dus bij uitstek ook binnen het liberale ideaal.

Linkse kringen

Het basisinkomen kost ons als samenleving als geheel niets

  1. Een tweede misverstand gaat precies de andere kant op, en komt vaker ter sprake in linkse kringen. Daar ziet men het basisinkomen soms als een rechts idee om de gehele sociale zekerheid terug te brengen tot één mager uitkerinkje. Er staat echter nergens geschreven dat een basisinkomen álle sociale voorzieningen zou moeten vervangen.

Natuurlijk, de bijstandsuitkering en AOW kunnen worden afgeschaft. Dat zal het systeem aanzienlijk versimpelen. Maar er is geen reden om bijvoorbeeld de WW in zijn geheel af te schaffen. Deze heeft een bijkomende functie: de zorg dat mensen niet al te ver terugvallen in inkomen wanneer ze hun baan verliezen. Het idee van een basisinkomen bepaalt daarom niet wat we met een regeling als de WW moeten doen.

  1. Het derde misverstand betreft de financiering van een basisinkomen. Het zou te duur zijn om iedereen van een fatsoenlijk basisinkomen te voorzien. Hier gaat men voorbij aan een belangrijk stuk economische theorie. Het basisinkomen is een zogenaamde ‘overdrachtsuitgave’ van de overheid. Dat betekent dat de maatregel ons als samenleving als geheel in directe zin niets kost. Het basisinkomen zorgt voor een herverdeling van geld over de samenleving, maar de samenleving in zijn geheel gaat er netto niet op achteruit. Dit betekent niet dat er geen transacties hoeven plaats te vinden om een basisinkomen te financieren. Er zullen natuurlijk extra belastingen geïnd moeten worden. Maar deze belastingen komen direct weer terug bij de belastingbetalers, in de vorm van een basisinkomen. En dus blijven we met zijn allen precies even rijk, indirecte positieve en negatieve effecten op de economie buiten beschouwing gelaten.

Wanneer we het basisinkomen willen invoeren, is het de kunst ons belasting- en sociale zekerheidssysteem zo te ontwerpen dat de financiële balans klopt. Dit is altijd mogelijk, omdat het basisinkomen een overdrachtsuitgave is.

Concluderend is het basisinkomen een idee dat zowel links als rechts op steun kan rekenen. Het basisinkomen kost ons als samenleving als geheel niets. Of zo’n basisinkomen wenselijk is, zal afhangen van de indirecte effecten die het teweegbrengt, de positieve en de negatieve. Er zullen experimenten nodig zijn om daarover enig uitsluitsel te kunnen geven.

[1] Sjir Hoeijmakers is econometrist en initiatiefnemer motie ‘Onderzoek naar de effecten van een basisinkomen’ bij D66
Dit stuk heeft hij ingezonden als opiniestuk in de volkskrant van 18 november 2014

Het bericht Drie misverstanden opgehelderd over basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.