PvdA leden stemmen voor het basisinkomen

PvdA-leden

 

 

 

PvdA-leden geven duidelijk aan een nieuwe koers te willen: weg van de controle en betutteling, meldt Hans Lindeijer. Vorige week stemde op het partijcongres een meerderheid voor de motie “Red de PvdA, kies voor een basisinkomen”.

 

 

Vanaf vrijdag 18 mei konden alle 45.000 PvdA-leden gedurende één week laten weten of een bepaalde motie op het PvdA-ledencongres van 16 juni in stemming gebracht zou worden. De motie “Red de PvdA, kies voor een basisinkomen” kreeg 122 ‘steuncliks’ op https://www.pvda.nl/partij/ledendemocratie/ledenkamer/ en verzekerde zich daarmee van voldoende stemmen om online te worden voorgelegd aan alle leden, of te wel het Stemlokaal (zie voor meer informatie over de ledendemocratie bij de PvdA en een korte impressie van het congres op 16 juni de eerste voetnoot).[1] Uiteindelijk stemde 61% voor de motie  (zie voor de tekst van de motie en de reactie van de politieke leiding de tweede voetnoot).[2]

De motie wil een betaalbare vorm van basisinkomen, een groot experiment en daarna nieuwe wetgeving. Dat wordt een flinke koerswijziging, vooral voor het beeld dat nu van de PvdA bestaat; een controlerende en beperkende overheid. Dat is anno nu het beeld van PvdA politici: politici, die ambtenaren aansporen uitkeringsgerechtigden goed in de gaten te houden. Een meerderheid van de PvdA-leden wil dat anders, zij wensen een overheid die vertrouwen uitstraalt en daarnaar handelt. De motie spreekt van “Gelijke kansen, geen stigmatisering en betutteling meer. Kans op scholing, dus toekomstbestendig. Geen angst voor armoede, dus sterker staan in het werk en ondersteunen van ondernemerschap. Echte keus voor mantelzorg, tijd voor opvoeding. Dat spaart veel kosten en maakt een stabieler Nederland. (Zie Congresstukken, pag.10)

PvdA-leden Een basisinkomen, een vast maandelijks bedrag zonder voorwaarden, zal grote invloed hebben. Nu blijft veel talent liggen of wordt beperkt. Het is al aangetoond dat een gering aantal mensen minder zal gaan werken, maar dat dat uiteindelijk goed uitpakt, doordat meer mensen scholing zullen gaan volgen en er bespaart kan worden op zorgkosten. Ook voor werkenden biedt basisinkomen meer keus, minder burnout’s, mensen kunnen rustig goed werk zoeken dat bij hen past, want werk is zoveel meer. Voor iedereen een oplossing tussen werk en privé, ook al komen er meer robots.

Dat kan allemaal … maar, dat gaat niet vanzelf, niet binnen de PvdA en ook niet in het politieke krachtenspel. Er komt veel kijken bij zo’n grote wetswijziging.

Maar met deze motie geven de PvdA-leden duidelijk een nieuwe koers aan.

Het is nu aan het PvdA bestuur en de fractie om hun politieke visie te tonen ten aanzien van het basisinkomen. Dat is niet makkelijk; welke vorm van basisinkomen heeft onze voorkeur, welke belastingen, toeslagen, subsidies, etc. kunnen vervallen, zijn er extra of hogere belastingen nodig? Hoe kan een dergelijke verzorgingsstaat er uitzien?

Naast politieke keuzes is ook het rekenwerk moeilijk. Sommige onderzoekers tellen selectief wat cijfers op en af en ook een instituut als het CPB (Centraal Plan Bureau) geeft aan niet alle aspecten mee te kunnen nemen. Een maatschappelijk experiment kan dus nuttig zijn of gebruik maken van nu lopende goede experimenten, bijv. in Canada.

De partijleden geven een signaal af met “Red de PvdA, kies voor basisinkomen”, ze willen een kanteling en geloven dat de PvdA dat aan kan, sterker nog, hiermee zal overleven. Een omslag is pijnlijk en lastig voor bestuurders en veel leden. Er is ook weerstand te verwachten, want de ‘voor wat hoort wat’- gedachte zit er diep in, bij mensen zelf en in tal van regels. Schuldeisers worden beter beschermd dan basisbehoeftes om van te leven. Is de dreiging van een leven-in-armoede nodig voor een gezonde maatschappij?

PvdA-partijleiding, ga aan de slag met deze motie. Straal het vertrouwen uit waar de maatschappij naar snakt. Na 100 jaar onderwijs kunnen we zonder betutteling en controles, dat bleek ook uit de verkiezingsuitslag. Zet in op vertrouwen, steun talenten, dat is echt de moeite waard!

PvdA-leden

Eindhoven, 21 juni 2018
Hans Lindeijer
Zie ook Hans’ Facebookpagina

 

Foto’s

 


1. De PvdA heeft, als eerste, een digitale Ledendemocratie. Alle leden kunnen zelf moties insturen, die in twee rondes in stemming komen. In de eerste ronde zijn er minstens 100 leden nodig die op de knop ‘Steun’ drukken om een motie door te laten gaan naar de échte stemronde.
Dit soort moties zijn voorstellen van de leden aan het bestuur en/of aan de fractie in de Tweede Kamer. Het veroorzaakt nooit direct een koerswijziging, wel aandacht en degene die er mee verder gaan kunnen er een beroep op doen.
Deze motie kreeg in de weken voor het Congres ruim voldoende stemmen, namelijk 122 steunbetuigingen. Via mail en Facebook hebben we met enkele mensen daar stevig tam-tam voor gemaakt. Van de 30 moties in de voorronde gingen er 9 door. In de tweede ronde kon op elk van die 9 moties voor of tegen gestemd worden.
In die digitale stemming, kort vóór het Congres, is de motie aangenomen met 61 % Voor, 25% Tegen en 14% blanco. Van de 45.000 PvdA-leden stemden er 1193 digitaal mee (2,6% van de leden). Door deze lage deelname is de uitslag wél geldig maar niet erg overtuigend.
PvdA-leden Het verschil tussen voor- en tegenstanders (>15%) was wél overtuigend, maar daardoor werd de motie op het Congres zelf een hamerstuk. Snel en in stilte passeerde de motie. In de Congresstukken staan netjes alle moties, maar die stukken zijn taai en waren alleen online te lezen. De meeste mensen, die ik op het Congres sprak, wisten helemaal niets van deze motie. Vooralsnog dus nog geen pr-succes.
Overigens is met het verlies van 38 naar 9 zetels in de Tweede Kamer, ook het geld voor onder meer het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman Stichting, een stuk minder. Ook het aantal congresbezoekers, ik schatte ongeveer 400 tot 500 mannen en vrouwen, dat was vroeger vaak 2000 of meer.
De kans dat deze motie stilletjes in een lade verdwijnt is zeker aanwezig. Hoeveel belang hecht het PvdA-bestuur aan deze 2,6 % actieve leden, die ook nog eens met lastige voorstellen komen? Er is een team van mensen nodig, die het basisinkomen goed moeten bestuderen. Pas dan kan er iemand naar voren komen die dit voorstel met overtuiging aan een breed publiek uitlegt namens de PvdA. Zo werkt die mooie digitale Ledendemocratie dus … het werkt alleen met een stevig staartje….↩

2. De motie: Red de PvdA, kies voor basisinkomen
———————————————————————–
Inleiding
———————————————————————–
Overwegende dat:
Het basisinkomen is een vast bedrag per maand, de minimale kosten voor een menswaardig bestaan. Een betaalbare optie is het ‘duale basisinkomen’, werkgevers en overheid betalen dat samen. Uitgangspunt daarin is dat het basisbedrag al in elk salaris zit. Dat blijkt immers uit de praktijk. Door te kiezen voor basisinkomen kan veel frustrerende bureaucratie worden afgeschaft. Het geeft reductie van schulden en stopt hen die daar voordeel van hebben. Gelijke kansen en geen stigmatisering en betutteling meer. Kans op scholing, dus toekomstbestendig. Geen angst voor armoede, dus sterker staan in het werk en steunt ondernemerschap. Echte keus voor mantelzorg, tijd voor opvoeding. Dat spaart veel onkosten en maakt een stabieler Nederland. Hé, dat maakt het de moeite waard.
———————————————————————–
Verzoekt de fractie om:
———————————————————————–
Kies een betaalbare vorm van basisinkomen en zet dat centraal voor nieuwe regels van een Sociaal Democratische verzorgingsstaat, zodat die de toekomst aan kan en test het.
Kies een vorm van basisinkomen, werk er aan, en start een groot maatschappelijk experiment om het uit te proberen. Bestudeer de keuzes en de levensloop van de deelnemers en pas daarmee ook andere regelgeving aan.
En gaat over tot de orde van de dag
———————————————————————–
Toelichting partijbestuur aan de PvdA-leden die gaan stemmen (alle moties krijgen een toelichting, vaak ook een stemadvies (voor of tegen de motie met uitleg):
De afgelopen jaren zijn er herhaaldelijk moties ingediend met betrekking tot het basisinkomen, om de discussie hierover te voeren, om er onderzoek naar te doen, om het in te voeren.
We hebben op verzoek van de leden op een aantal politieke ledenraden gesproken over het basisinkomen en vanuit de vorige Tweede Kamerfractie heeft Ed Groot een tour door het land gemaakt. Ook in het Verkiezingsprogramma heeft het basisinkomen een plek gekregen: we willen experimenten uitbreiden en leren van de ervaringen en dit zullen we dan ook eerst afwachten.↩

Het bericht PvdA leden stemmen voor het basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen: vrijheid & bestaanszekerheid

Tegenwoordig is de discussie over het basisinkomen pragmatisch. Velen vinden het wel een goed idee, maar is het financierbaar?
Alexander de Roo legt in het blad Sociaal Bestek stelt in een dat door sociale zekerheid en belasting te integreren het idee betaalbaar is. Overal ter wereld vinden nu experimenten plaats.
De experimenten zullen ons meer leren over de effecten van het basisinkomen op de arbeidsmarkt, gezondheid en welzijn.  Het basisinkomen zal niet in één keer ingevoerd worden. De opbouw van het huidige systeem duurde 30 jaar. Het basisinkomen geeft bestaanszekerheid en vrijheid om je eigen leven te leiden.

Inleiding

Basisinkomen geeft mensen vrijheid om hun eigen leven anders dan nu  in te richten. Kies je voor betaald werk, zorg, (her-) scholing of vrijwilligerswerk?  Of een combinatie. Het basisinkomen geeft mensen bestaanszekerheid.  Een basisinkomen is een bescheiden maandelijks bedrag voor elke volwassene in Nederland zonder tegenprestatie of vermogenstoets.

Voordelen

De armoedeval wordt opgeheven. Nu is het zo dat mensen tussen minimum en modaal financieel vast zitten.  Als iemand  (beter) betaald werk vindt, gaat hij/zij  er netto nauwelijks op vooruit en soms zelfs achteruit. Het kabinet Rutte III gaat een vlaktax van 37 procent invoeren voor bijna iedereen. Het lage BTW tarief gaat dan omhoog. Welk probleem lost dit eigenlijk op? Een gezin met een éénverdiener in een huurhuis met twee kinderen heeft niets aan dit belastingplan. Hij verdient nu met 20.000 € bruto per jaar het minimumloon. Een betere baan betekent 31.000 € bruto. Van die 11.000 € bruto houdt dit gezin netto 500 € over.  96 % valt weg! Dat komt omdat huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget verdampen. Hard werken loont helemaal niet. Een bijstandsgerechtigde  gaat er netto niet op vooruit als hij een baan vindt van 36 uur tegen het minimumloon.  De armoedeval geldt voor vrijwel  iedereen tussen minimum en modaal. Zij kijken tegen 70, 80, 90 en soms zelfs meer dan 100 % belasting aan. Bovenmodaal betaalt nu 40 procent belasting en de topverdieners 52 procent.

Het basisinkomen zorgt voor een sterke vereenvoudiging van het huidige sociale en fiscale stelsel. Mensen hoeven niet meer hun eigen huis op te eten, als ze langdurig werkloos worden. Zware beroepen zullen beter beloond worden. Kunstenaars wijden zich aan de kunst  en  studenten aan hun studie in plaats van  talloze bijbaantjes. ZZP’ers krijgen een stevige basis. Er komen meer startups en meer innovatie. Kleine middenstanders krijgen lucht, zodat de laatste winkel in het dorp kan blijven. Krimpgebieden leven weer op, omdat er koopkracht blijft.  Betaald werk en vrije tijd worden eerlijker verdeeld. Niet alleen academici, maar iedereen zal een sabbatical year kunnen nemen. Kleine baantjes worden aantrekkelijker en mensen gaan makkelijker wisselen van baan. De verwachting is dat meer mensen betaald werk gaan verrichten, maar gemiddeld met een kortere werkweek. Arbeidstijdverkorting op individuele basis.

Waarom?

Ook nu het economisch beter gaat komen er steeds meer flex banen en steeds minder vaste banen. Vier miljoen mensen hebben een flex baan of geen baan  en vijf miljoen mensen hebben een vaste baan. Er zijn nu twee miljoen flex banen (postbodes, alfa hulpen), één miljoen ZZP’ers en een kleine miljoen mensen in WW / bijstand. Het leger van werkende armen breidt zich uit. Uitkeringsgerechtigden zitten vast. Een WAO’er levert 70 % in als hij/zij een baantje vindt. De armoedeval is door de vele inkomensafhankelijke regelingen steeds groter geworden. Huursubsidie, zorgtoeslag, kindgebonden budget en sinds kort ook arbeidskorting en heffingskorting zijn inkomensafhankelijk. Idem dito  gemeentelijke regelingen. Allemaal goed bedoeld, maar bij elkaar betekenen ze dat het voor de helft  van de Nederlanders  (meer)  betaald werk niet of nauwelijks loont. Automatisering gaat steeds sneller. De werkgelegenheid van laaggeschoolden, maar in toenemende mate ook van de midden groepen staat onder druk. Je hele leven bij één baas is voltooid verleden tijd.

Steeds meer steun

In 1993 was 20 procent van de Nederlanders voor een basisinkomen. 20 procent koos toen voor het mini stelsel (= lagere uitkeringen) van de VVD. 60 procent prefereerde een systeem met een verplichte tegenprestatie. Twee jaar geleden zei 40 procent van de bevolking ja, 45 procent  nee en 15 procent  had geen mening volgens een onderzoek van Maurice de Hond voor de Vereniging Basisinkomen. Dezelfde onderzoeker gaf in het Radar programma (juni 2017) aan dat 51 % voorstander is van basisinkomen als alle toeslagen verdwijnen. Ook in andere landen zoals het  Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de VS is de helft van de bevolking voor. In Finland en Canada bestaan meerderheden voor invoering. In het Verenigd Koninkrijk is 60 procent van de Labour kiezers voor, maar ook 42 procent van de Conservatieve kiezers. De afbrokkeling van het huidige systeem en de toename van flex werk verklaren de toenemende steun voor het basisinkomen.

Eerste golf

De eerste golf is in het Interbellum. De actiegroep State Bonus League slaagt in 1920 om een debat op het Labour congres in Engeland af te dwingen. Henry George maakt furore met zijn idee om belasting op land te heffen en de opbrengst aan iedereen uit te keren. In Oxford lanceert Professor G.D.H. Cole als eerste de term basisinkomen. In Canada weet de Social Credit Party in twee provincies de macht te veroveren. In 1935 voert de Democratische Senator Huey Long in de VS campagne om president te worden met  de leuze ‘Share the Wealth’. Helaas wordt hij tijdens de campagne vermoord. In Engeland bepleit de liberale politica Rhys-Williams in 1943 het idee van het basisinkomen in ‘New Social Contract’. De politieke meerderheid kiest onder aanvoering van sociaaldemocratische partijen voor het verzekeringsmodel en de opbouw van de huidige systeem van sociale zekerheid ( 1945-1975).

Tweede golf

De Nobelprijswinnaars Milton Friedman ( 1962) en James Tobin ( 1967) pleiten voor het basisinkomen. In 1972 wordt het Family Assistance Plan van president Nixon verworpen door de Senaat, omdat de Democraten het bedrag niet hoog genoeg vonden. In datzelfde jaar verliest de Democraat McGovern de presidentsverkiezingen met zijn basisinkomen plan. Er vinden wel vier proeven in de VS plaats en één in Canada. In het Canadese MinCome experiment ( 1974-1978) bleek dat er een kleine teruggang was van het arbeidsaanbod. De kosten van de gezondheidszorg verminderden met 8,5 procent. Misdaadcijfers daalden spectaculair. Een nieuwe regering van conservatieve huize stopte dit experiment.  In Alaska krijgt  sinds 1982 elke burger ( man, vrouw, kind) jaarlijks een achtste deel van de olie opbrengsten uitgekeerd. De grootte is ongeveer een vakantiegeld uitkering.

Derde golf

In 1977 zet de PPR ( voorloper van GroenLinks) basisinkomen in haar programma. De WRR komt in 1985 met het opzienbarende voorstel een  gedeeltelijk basisinkomen van 500 gulden. De oprichting van BIEN (Basic Income European Network) vindt in 1986 plaats. Er was in die jaren een fanatieke discussie. De hoge werkloosheid leidde tot felle pleidooien voor een basisinkomen. De tegenstanders zeiden even fanatiek ‘werken voor je geld’.

Intermezzo NRC december 1993

“DEN HAAG. Melkert voelt niets voor invoering van een basisinkomen, omdat het middel volgens hem veel te grofmazig is. Het laat volgens de PvdA-minister slechts de keus tussen onrechtvaardigheid en onbetaalbaarheid. ‘Of je duikt ver onder het sociaal minimum, of je doet dat niet en dan kost het miljarden’, meent Melkert. VVD-minister Zalm toonde zich zaterdagavond in KRO’s Brandpunt zeer positief over het basisinkomen, zoals hij dat eerder had gedaan tijdens zijn ambtsperiode als directeur van het Centraal Planbureau. Zijn D66-collega Wijers maakte zich zaterdag in NRC Handelsblad in voorzichtige termen kenbaar als een voorstander van het idee.”

Vierde golf

Deze golf begint met de financiële crisis in 2008. Nu vinden op alle vijf continenten discussies plaats. BIEN herdoopt zichzelf tot Basic Income Earth Network na een congres in Zuid-Afrika. Het Britse Labour onderzoekt nu het basisinkomen. Ook in andere sociaaldemocratische partijen wordt over het basisinkomen gediscussieerd. Steeds vaker spreken groene en regionale partijen zich uit voor het basisinkomen. Ook sommige rechts populistische partijen zoals een afsplitsing van de Wilders partij in Finland zijn voorstander.  Jaarlijks is er een BIEN congres. In augustus in Finland, waar de regering met de politieke signatuur van Rutte I een serieuze proef ( 2017-2018) doet met 2.000 werklozen.  Volgend jaar BIEN congres in India, waar de regering overweegt om de subsidie voor 200 miljoen arme Indiërs te vervangen door een bescheiden basisinkomen. Achtergrond is dat ruim de helft van de armoede middelen ergens langs strijkstok blijft hangen tussen de hoofdstad en de arme Indiërs in hun afgelegen dorpen.

Overal proeven

Iedereen op de bank?

In het MinCome experiment in Canada  bleek dat er ongeveer 5 % minder vraag was naar betaald werk. Jongeren op de middelbare school bleven langer studeren en vrouwen met jonge kinderen brachten meer tijd met hun kinderen door. Ook het CPB komt tot een vraaguitval van 5 % bij de doorrekening van het basisinkomen van de Vrijzinnige partij van Norbert Klein. Hij stelde een basisinkomen van 800 euro voor met een alleenstaanden toeslag van 300 euro. Interessant was dat Norbert Klein tegen het CPB argumenteerde  dat kleine baantjes dan wel gaan lonen. Waarom neemt het CPB dat niet mee? Dat klopt zei het CPB, maar daar hebben we geen experimentele gegevens over en dus rekenen we niet mee… Laura van der Geest hoofd van het CPB zei in de NRC dat het moeilijk is om de revolutie te berekenen.

Het is inderdaad een revolutie. Bij het basisinkomen experiment in India 2010-2012 kregen zes dorpen met UNICEF middelen een basisinkomen en zes dorpen kregen het niet. Het bleek dat mensen – zelfs als ze een beperking hadden – ondernemender werden. Vrouwen gingen geld lenen, schaften een naaimachine aan en verkochten kleren. Toen de onderzoekers een half jaar later terug kwamen hadden jonge vrouwen geen hoofddoek meer om. Waarom? “Omdat we nu onze eigen baas zijn en niet langer afhankelijk van de oude mannen in ons dorp”.

Onbetaalbaar

Een bescheiden basisinkomen van € 800 per maand is financierbaar. Dat blijkt  ook uit de berekeningen van het CPB. Premier Rutte heeft gelijk toen hij Prinsjesdag 2016 in debat met Marianne Thieme (PvdD) zei  dat het sociale stelsel dan nog ingewikkelder wordt.  De Vrijzinnige partij werkt  met een alleenstaanden toeslag, wat weer controle vereist. Een hoog basisinkomen van € 1.200 vergt dat de belastingen flink  ( circa 20 %) omhoog moeten en daarvoor is nu niet genoeg draagvlak. Het meest genoemde bedrag is € 1.000. Dat kan gefinancierd worden door iedereen 50 procent inkomensbelasting te laten betalen ( en de 5 procent topinkomens  60 procent). Een alleenstaande zonder betaald werk gaat er dan niet op achteruit, maar het hele toeslagen circus moet dan wel  in stand blijven.

Een briljant idee van de Groningse student Harro Boven kan een doorbraak betekenen. Geef iedereen naast een basisinkomen van € 650 een woontoeslag van € 600. Dit geldt voor zowel één als twee persoonshuishoudens. Fraude loont dan niet. En verhoog de kinderbijslag naar gemiddeld € 300.  Een alleenstaande begint dan met € 1.250 en een stel met €1.900. Dan kan de zorgtoeslag weg en het kindgebonden budget kan weg. De inkomensafhankelijke heffingskortingen en arbeidskorting kunnen ook weg. De huur toeslag kan veel kleiner. Dit voorstel is circa 30 miljard duurder dan het huidige stelsel. 30 miljard is 10 % van de overheidsuitgaven. Deze extra middelen kunnen gevonden worden. Daarvoor staan vijf wegen open:  het verhogen van de vermogensbelasting, meer ecologische belastingen, een BTW op Scandinavisch niveau, de inkomensbelasting naar 50 procent of bezuinigen op de overheid. Al naar gelang je politieke voorkeur links, groen, midden, sociaaldemocratisch  of conservatief is.  Uiteraard kan politiek  Den Haag ook gaan voor een combinatie van deze vijf mogelijkheden. Op de website basisinkomen.nl staat onderaan een Rekenmodel Even Klikken om dit idee na te rekenen.

Conclusie

Tegenwoordig is de discussie over het basisinkomen pragmatisch. Velen vinden het wel een goed idee, maar is het financierbaar?  Door sociale zekerheid en belasting te integreren blijkt het idee betaalbaar.
Overal ter wereld vinden nu experimenten plaats. In Nederland experimenteren de gemeenten Wageningen, Nijmegen, Tilburg, Deventer en Groningen. Ook Utrecht start een experiment. In Finland vindt in 2017 en 2018 een proef plaats met 2.000 werklozen die een basisinkomen ontvangen. In Canada krijgen 4.000 mensen tussen bijstand en modaal  een basisinkomen in een driejarige proef. De conservatieve oppositie heeft beloofd dit experiment te laten bestaan als zij aan de macht komen.
De experimenten zullen ons meer leren over de effecten van het basisinkomen op de arbeidsmarkt, gezondheid en welzijn.
Het basisinkomen zal niet in één keer ingevoerd worden. De opbouw van het huidige systeem duurde 30 jaar ( 1945-1975).  Door het flex werk en de steeds snellere  automatisering werkt het huidige systeem niet meer.
Het basisinkomen geeft bestaanszekerheid en vrijheid om je eigen leven te leiden.

 

Alexander de Roo, juni  2018

Dit artikel is in druk verschenen in Sociaal Bestek nummer 3, juni/juli 2018, pagina 54 tot en met 56.

Het bericht Basisinkomen: vrijheid & bestaanszekerheid verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen: vrijheid & bestaanszekerheid

Tegenwoordig is de discussie over het basisinkomen pragmatisch. Velen vinden het wel een goed idee, maar is het financierbaar?
Alexander de Roo legt in het blad Sociaal Bestek stelt in een dat door sociale zekerheid en belasting te integreren het idee betaalbaar is. Overal ter wereld vinden nu experimenten plaats.
De experimenten zullen ons meer leren over de effecten van het basisinkomen op de arbeidsmarkt, gezondheid en welzijn.  Het basisinkomen zal niet in één keer ingevoerd worden. De opbouw van het huidige systeem duurde 30 jaar. Het basisinkomen geeft bestaanszekerheid en vrijheid om je eigen leven te leiden.

Inleiding

Basisinkomen geeft mensen vrijheid om hun eigen leven anders dan nu  in te richten. Kies je voor betaald werk, zorg, (her-) scholing of vrijwilligerswerk?  Of een combinatie. Het basisinkomen geeft mensen bestaanszekerheid.  Een basisinkomen is een bescheiden maandelijks bedrag voor elke volwassene in Nederland zonder tegenprestatie of vermogenstoets.

Voordelen

De armoedeval wordt opgeheven. Nu is het zo dat mensen tussen minimum en modaal financieel vast zitten.  Als iemand  (beter) betaald werk vindt, gaat hij/zij  er netto nauwelijks op vooruit en soms zelfs achteruit. Het kabinet Rutte III gaat een vlaktax van 37 procent invoeren voor bijna iedereen. Het lage BTW tarief gaat dan omhoog. Welk probleem lost dit eigenlijk op? Een gezin met een éénverdiener in een huurhuis met twee kinderen heeft niets aan dit belastingplan. Hij verdient nu met 20.000 € bruto per jaar het minimumloon. Een betere baan betekent 31.000 € bruto. Van die 11.000 € bruto houdt dit gezin netto 500 € over.  96 % valt weg! Dat komt omdat huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget verdampen. Hard werken loont helemaal niet. Een bijstandsgerechtigde  gaat er netto niet op vooruit als hij een baan vindt van 36 uur tegen het minimumloon.  De armoedeval geldt voor vrijwel  iedereen tussen minimum en modaal. Zij kijken tegen 70, 80, 90 en soms zelfs meer dan 100 % belasting aan. Bovenmodaal betaalt nu 40 procent belasting en de topverdieners 52 procent.

Het basisinkomen zorgt voor een sterke vereenvoudiging van het huidige sociale en fiscale stelsel. Mensen hoeven niet meer hun eigen huis op te eten, als ze langdurig werkloos worden. Zware beroepen zullen beter beloond worden. Kunstenaars wijden zich aan de kunst  en  studenten aan hun studie in plaats van  talloze bijbaantjes. ZZP’ers krijgen een stevige basis. Er komen meer startups en meer innovatie. Kleine middenstanders krijgen lucht, zodat de laatste winkel in het dorp kan blijven. Krimpgebieden leven weer op, omdat er koopkracht blijft.  Betaald werk en vrije tijd worden eerlijker verdeeld. Niet alleen academici, maar iedereen zal een sabbatical year kunnen nemen. Kleine baantjes worden aantrekkelijker en mensen gaan makkelijker wisselen van baan. De verwachting is dat meer mensen betaald werk gaan verrichten, maar gemiddeld met een kortere werkweek. Arbeidstijdverkorting op individuele basis.

Waarom?

Ook nu het economisch beter gaat komen er steeds meer flex banen en steeds minder vaste banen. Vier miljoen mensen hebben een flex baan of geen baan  en vijf miljoen mensen hebben een vaste baan. Er zijn nu twee miljoen flex banen (postbodes, alfa hulpen), één miljoen ZZP’ers en een kleine miljoen mensen in WW / bijstand. Het leger van werkende armen breidt zich uit. Uitkeringsgerechtigden zitten vast. Een WAO’er levert 70 % in als hij/zij een baantje vindt. De armoedeval is door de vele inkomensafhankelijke regelingen steeds groter geworden. Huursubsidie, zorgtoeslag, kindgebonden budget en sinds kort ook arbeidskorting en heffingskorting zijn inkomensafhankelijk. Idem dito  gemeentelijke regelingen. Allemaal goed bedoeld, maar bij elkaar betekenen ze dat het voor de helft  van de Nederlanders  (meer)  betaald werk niet of nauwelijks loont. Automatisering gaat steeds sneller. De werkgelegenheid van laaggeschoolden, maar in toenemende mate ook van de midden groepen staat onder druk. Je hele leven bij één baas is voltooid verleden tijd.

Steeds meer steun

In 1993 was 20 procent van de Nederlanders voor een basisinkomen. 20 procent koos toen voor het mini stelsel (= lagere uitkeringen) van de VVD. 60 procent prefereerde een systeem met een verplichte tegenprestatie. Twee jaar geleden zei 40 procent van de bevolking ja, 45 procent  nee en 15 procent  had geen mening volgens een onderzoek van Maurice de Hond voor de Vereniging Basisinkomen. Dezelfde onderzoeker gaf in het Radar programma (juni 2017) aan dat 51 % voorstander is van basisinkomen als alle toeslagen verdwijnen. Ook in andere landen zoals het  Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de VS is de helft van de bevolking voor. In Finland en Canada bestaan meerderheden voor invoering. In het Verenigd Koninkrijk is 60 procent van de Labour kiezers voor, maar ook 42 procent van de Conservatieve kiezers. De afbrokkeling van het huidige systeem en de toename van flex werk verklaren de toenemende steun voor het basisinkomen.

Eerste golf

De eerste golf is in het Interbellum. De actiegroep State Bonus League slaagt in 1920 om een debat op het Labour congres in Engeland af te dwingen. Henry George maakt furore met zijn idee om belasting op land te heffen en de opbrengst aan iedereen uit te keren. In Oxford lanceert Professor G.D.H. Cole als eerste de term basisinkomen. In Canada weet de Social Credit Party in twee provincies de macht te veroveren. In 1935 voert de Democratische Senator Huey Long in de VS campagne om president te worden met  de leuze ‘Share the Wealth’. Helaas wordt hij tijdens de campagne vermoord. In Engeland bepleit de liberale politica Rhys-Williams in 1943 het idee van het basisinkomen in ‘New Social Contract’. De politieke meerderheid kiest onder aanvoering van sociaaldemocratische partijen voor het verzekeringsmodel en de opbouw van de huidige systeem van sociale zekerheid ( 1945-1975).

Tweede golf

De Nobelprijswinnaars Milton Friedman ( 1962) en James Tobin ( 1967) pleiten voor het basisinkomen. In 1972 wordt het Family Assistance Plan van president Nixon verworpen door de Senaat, omdat de Democraten het bedrag niet hoog genoeg vonden. In datzelfde jaar verliest de Democraat McGovern de presidentsverkiezingen met zijn basisinkomen plan. Er vinden wel vier proeven in de VS plaats en één in Canada. In het Canadese MinCome experiment ( 1974-1978) bleek dat er een kleine teruggang was van het arbeidsaanbod. De kosten van de gezondheidszorg verminderden met 8,5 procent. Misdaadcijfers daalden spectaculair. Een nieuwe regering van conservatieve huize stopte dit experiment.  In Alaska krijgt  sinds 1982 elke burger ( man, vrouw, kind) jaarlijks een achtste deel van de olie opbrengsten uitgekeerd. De grootte is ongeveer een vakantiegeld uitkering.

Derde golf

In 1977 zet de PPR ( voorloper van GroenLinks) basisinkomen in haar programma. De WRR komt in 1985 met het opzienbarende voorstel een  gedeeltelijk basisinkomen van 500 gulden. De oprichting van BIEN (Basic Income European Network) vindt in 1986 plaats. Er was in die jaren een fanatieke discussie. De hoge werkloosheid leidde tot felle pleidooien voor een basisinkomen. De tegenstanders zeiden even fanatiek ‘werken voor je geld’.

Intermezzo NRC december 1993

“DEN HAAG. Melkert voelt niets voor invoering van een basisinkomen, omdat het middel volgens hem veel te grofmazig is. Het laat volgens de PvdA-minister slechts de keus tussen onrechtvaardigheid en onbetaalbaarheid. ‘Of je duikt ver onder het sociaal minimum, of je doet dat niet en dan kost het miljarden’, meent Melkert. VVD-minister Zalm toonde zich zaterdagavond in KRO’s Brandpunt zeer positief over het basisinkomen, zoals hij dat eerder had gedaan tijdens zijn ambtsperiode als directeur van het Centraal Planbureau. Zijn D66-collega Wijers maakte zich zaterdag in NRC Handelsblad in voorzichtige termen kenbaar als een voorstander van het idee.”

Vierde golf

Deze golf begint met de financiële crisis in 2008. Nu vinden op alle vijf continenten discussies plaats. BIEN herdoopt zichzelf tot Basic Income Earth Network na een congres in Zuid-Afrika. Het Britse Labour onderzoekt nu het basisinkomen. Ook in andere sociaaldemocratische partijen wordt over het basisinkomen gediscussieerd. Steeds vaker spreken groene en regionale partijen zich uit voor het basisinkomen. Ook sommige rechts populistische partijen zoals een afsplitsing van de Wilders partij in Finland zijn voorstander.  Jaarlijks is er een BIEN congres. In augustus in Finland, waar de regering met de politieke signatuur van Rutte I een serieuze proef ( 2017-2018) doet met 2.000 werklozen.  Volgend jaar BIEN congres in India, waar de regering overweegt om de subsidie voor 200 miljoen arme Indiërs te vervangen door een bescheiden basisinkomen. Achtergrond is dat ruim de helft van de armoede middelen ergens langs strijkstok blijft hangen tussen de hoofdstad en de arme Indiërs in hun afgelegen dorpen.

Overal proeven

Iedereen op de bank?

In het MinCome experiment in Canada  bleek dat er ongeveer 5 % minder vraag was naar betaald werk. Jongeren op de middelbare school bleven langer studeren en vrouwen met jonge kinderen brachten meer tijd met hun kinderen door. Ook het CPB komt tot een vraaguitval van 5 % bij de doorrekening van het basisinkomen van de Vrijzinnige partij van Norbert Klein. Hij stelde een basisinkomen van 800 euro voor met een alleenstaanden toeslag van 300 euro. Interessant was dat Norbert Klein tegen het CPB argumenteerde  dat kleine baantjes dan wel gaan lonen. Waarom neemt het CPB dat niet mee? Dat klopt zei het CPB, maar daar hebben we geen experimentele gegevens over en dus rekenen we niet mee… Laura van der Geest hoofd van het CPB zei in de NRC dat het moeilijk is om de revolutie te berekenen.

Het is inderdaad een revolutie. Bij het basisinkomen experiment in India 2010-2012 kregen zes dorpen met UNICEF middelen een basisinkomen en zes dorpen kregen het niet. Het bleek dat mensen – zelfs als ze een beperking hadden – ondernemender werden. Vrouwen gingen geld lenen, schaften een naaimachine aan en verkochten kleren. Toen de onderzoekers een half jaar later terug kwamen hadden jonge vrouwen geen hoofddoek meer om. Waarom? “Omdat we nu onze eigen baas zijn en niet langer afhankelijk van de oude mannen in ons dorp”.

Onbetaalbaar

Een bescheiden basisinkomen van € 800 per maand is financierbaar. Dat blijkt  ook uit de berekeningen van het CPB. Premier Rutte heeft gelijk toen hij Prinsjesdag 2016 in debat met Marianne Thieme (PvdD) zei  dat het sociale stelsel dan nog ingewikkelder wordt.  De Vrijzinnige partij werkt  met een alleenstaanden toeslag, wat weer controle vereist. Een hoog basisinkomen van € 1.200 vergt dat de belastingen flink  ( circa 20 %) omhoog moeten en daarvoor is nu niet genoeg draagvlak. Het meest genoemde bedrag is € 1.000. Dat kan gefinancierd worden door iedereen 50 procent inkomensbelasting te laten betalen ( en de 5 procent topinkomens  60 procent). Een alleenstaande zonder betaald werk gaat er dan niet op achteruit, maar het hele toeslagen circus moet dan wel  in stand blijven.

Een briljant idee van de Groningse student Harro Boven kan een doorbraak betekenen. Geef iedereen naast een basisinkomen van € 650 een woontoeslag van € 600. Dit geldt voor zowel één als twee persoonshuishoudens. Fraude loont dan niet. En verhoog de kinderbijslag naar gemiddeld € 300.  Een alleenstaande begint dan met € 1.250 en een stel met €1.900. Dan kan de zorgtoeslag weg en het kindgebonden budget kan weg. De inkomensafhankelijke heffingskortingen en arbeidskorting kunnen ook weg. De huur toeslag kan veel kleiner. Dit voorstel is circa 30 miljard duurder dan het huidige stelsel. 30 miljard is 10 % van de overheidsuitgaven. Deze extra middelen kunnen gevonden worden. Daarvoor staan vijf wegen open:  het verhogen van de vermogensbelasting, meer ecologische belastingen, een BTW op Scandinavisch niveau, de inkomensbelasting naar 50 procent of bezuinigen op de overheid. Al naar gelang je politieke voorkeur links, groen, midden, sociaaldemocratisch  of conservatief is.  Uiteraard kan politiek  Den Haag ook gaan voor een combinatie van deze vijf mogelijkheden. Op de website basisinkomen.nl staat onderaan een Rekenmodel Even Klikken om dit idee na te rekenen.

Conclusie

Tegenwoordig is de discussie over het basisinkomen pragmatisch. Velen vinden het wel een goed idee, maar is het financierbaar?  Door sociale zekerheid en belasting te integreren blijkt het idee betaalbaar.
Overal ter wereld vinden nu experimenten plaats. In Nederland experimenteren de gemeenten Wageningen, Nijmegen, Tilburg, Deventer en Groningen. Ook Utrecht start een experiment. In Finland vindt in 2017 en 2018 een proef plaats met 2.000 werklozen die een basisinkomen ontvangen. In Canada krijgen 4.000 mensen tussen bijstand en modaal  een basisinkomen in een driejarige proef. De conservatieve oppositie heeft beloofd dit experiment te laten bestaan als zij aan de macht komen.
De experimenten zullen ons meer leren over de effecten van het basisinkomen op de arbeidsmarkt, gezondheid en welzijn.
Het basisinkomen zal niet in één keer ingevoerd worden. De opbouw van het huidige systeem duurde 30 jaar ( 1945-1975).  Door het flex werk en de steeds snellere  automatisering werkt het huidige systeem niet meer.
Het basisinkomen geeft bestaanszekerheid en vrijheid om je eigen leven te leiden.

 

Alexander de Roo, juni  2018

Dit artikel is in druk verschenen in Sociaal Bestek nummer 3, juni/juli 2018, pagina 54 tot en met 56.

Het bericht Basisinkomen: vrijheid & bestaanszekerheid verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief

strijdtoneel

Het Amerikaanse Pepsi in Indonesië

 

 

Leon Segers bezocht 13 juni j.l. een symposium in Utrecht, waar onderzoekers van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck van de Universiteit Antwerpen de bevindingen presenteerden van hun studie (gefinancierd door het Nederlandse Instituut Gak, kijk dit is het bestuur) naar de effecten van de invoering van een basisinkomen in Nederland. Hun conclusie: Het basisinkomen zorgt juist voor meer armoede. De koppen logen er niet om deze week. Maar wie het nieuwe onderzoek bestudeert (hier, hier, hier en hier, de oproep van een Vlaams parlementslid om te gaan experimenteren met een basisinkomen in België), denkt al gauw ‘onzin’. Ook Leon dacht ‘onzin’ en besloot om zijn visie te geven. Hij komt tot een heel andere conclusie dan de bovengenoemde onderzoekers. Zijn boodschap: Plaats het basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief, dan zie je dat de invoering ervan het nieuwe strijdtoneel van de klassenstrijd is.[1]

Strijdtoneel van de klassenstrijd

Het “strijdtoneel” van de klassenstrijd is zeer veranderd sinds de globalisering. Tot in de jaren 80 bestond het merendeel van het kapitaal nog uit materiële dingen, gebouwen, machines, etc. Het strijdtoneel was dus te overzien, stakingen etc. waren aan de orde van de dag en konden door de arbeidersklasse gebruikt worden als wapen. Een sociaal contract werd dus via countervailing power afgedwongen. Nu heeft “het kapitaal met vlag en wimpel gewonnen” zoals Alfred Kleinknecht dat uitdrukt.

Je zou ook kunnen zeggen dat het “strijdtoneel” zoek is, immers alleen voor buschauffeurs, ambtenaren en schoonmakers en andere “grondgebonden” bedrijven heeft het nog zin om te staken, alleen dus voor de pseudo-arbeiders. In andere, “echte” bedrijven, is men zelfs bang voor staking want het bedrijf kan zo maar “vertrekken”. Deze toonaangevende bedrijven zijn dus min of meer ongrijpbaar geworden. Het kapitaal dat er echt toe doet, “zwerft” over de aarde, op zoek naar rendement; in de bedrijven staan zetbazen aan het hoofd, die ook zo maar aan de dijk gezet kunnen worden. De “waarde” van het bedrijf wordt aan de beurzen bepaald en de “materiële vaste activa” zijn van relatieve waarde, van relatief belang geworden. De “brand” en de “know how” bepalen de winstgevendheid en dus de waarde.

Ook het proletariaat is van positie en inhoud veranderd. Het zijn niet meer “armoedzaaiers”, die alleen hun arbeid kunnen verkopen en aan de willekeur van de kapitalisten zijn overgeleverd. Nee, zij hebben zich verenigd en zijn participerende burgers geworden. Via een “zorgzame” overheid hebben zij in het verleden zelfs de kapitalisten de kosten van de verzorgingsstaat “op hun nek geschoven”.
Door deze kosten echter aan de “productieve” arbeider te hangen wordt die productieve arbeider nu “uit de (globale) markt geprijsd”. In deze wereld “moeten” de vakbonden smeken om “arbeidsplaatsen” en ze doen dat ook (!). Zij zijn van aanbieder van arbeid tot vrager van arbeid(splaatsen) geworden. In die rol zijn ze terecht gekomen, van klassenstrijd is zodoende geen sprake meer en zelfs nauwelijks nog van countervailing power.

En omdat het kapitaal via het banksysteem kan wegvluchten doet het dat natuurlijk ook, op zoek naar (meer) winst, met alle gevolgen van dien; nu de productie (vanwege de winst) naar de andere kant van de wereld wordt gedrongen, zijn wij in het westen alleen nog maar goed om koopkracht te leveren en zo voor de onontbeerlijke sprong in het geld te zorgen. Intussen loogt deze gang van zaken onze samenleving en het maatschappelijk kapitaal wel langzamerhand uit. Er vindt een soort van “onteigening” plaats, doordat de hier gemaakte (verkoop)winsten, elders in de wereld hun productieve neerslag vinden. In Nederland staat alleen het werkgever/werknemer structuurtje nog overeind en de SER doet z’n kunstje nog zo nu en dan, maar het heeft geen echte inhoud meer.

Ook het maatschappelijk kapitaal vertrekt !

De doelstelling van de sociaal democratie om, langs de lijn van organisatie van de samenleving dus via de staatsmacht, de arbeider aan zijn trekken te laten komen (hem een “fair share” van de welvaart toe te delen) heeft dus zijn einde gevonden bij de globalisering. Het privé kapitaal kan nu immers “ontsnappen” aan de macht van de staat. De verzorgingsmaatschappij is dus zogezegd in de lucht komen te hangen. De productie is almaar minder afhankelijk van het fysieke kapitaal als gebouwen en installaties, het immateriële kapitaal speelt een steeds grotere rol. Productie en productiviteit worden tegenwoordig meer bepaald door factoren die aan individuele mensen, aan samenwerkende mensen, aan teams hangen. Terwijl de overlegstructuren nog uit de tijd van het privékapitaal en de klassenstrijd stammen, is het “productieve kapitaal” dus veel meer een “maatschappelijk kapitaal” geworden. Dat maatschappelijk kapitaal wordt echter niet als zodanig beloond, ook niet voor zijn rol in het productieproces; de dragers ervan worden wel beloond c.q. eisen hun beloning op alsof het (alleen) hun eigen verdienste is.

Een dergelijk systeem waarin het maatschappelijk kapitaal als zodanig niet gezien c.q. niet beloond wordt en dus ook niet “onderhouden” wordt, loopt het gevaar om “uitgewoond” te raken. Feitelijk gebeurt dat ook al, naargelang de concrete productie uit de rijke wereld wordt verplaatst, verdwijnt daarmee op de duur ook de kennis en zeker de ontwikkeling van die kennis. De talentvolle cultuurdragers vertrekken of worden weggekocht en met hen verdwijnt dus ook de kennis c.q. het maatschappelijk kapitaal langzamerhand. Zij worden gelokt door de dynamiek van het kapitaal zelf m.a.w. zij volgen de “winst”. Europa zal langzaam leeglopen, zoals in de 19-de eeuw met Spanje en Portugal is gebeurd.

Scheve globalisering en maatschappelijke verarming

strijdtoneel

Overdag financieel technicus, ’s nachts muziek producer

Innovaties worden (dankzij ons maatschappelijk kapitaal) nog wel hier gedaan, maar zodra het aankomt op het materialiseren van deze uitvindingen, het omzetten ervan in producten, zijn onze productievoorwaarden veel te ongunstig, omdat de (loon)kosten veel te hoog zijn; die productie kan in de lage lonen landen veel “winstgevender” geschieden. Waarom? Omdat de (loon)kosten er veel lager zijn; de andere productievoorwaarden zijn namelijk elders zeker niet beter, uitgezonderd wellicht de regelgeving … met alle milieugevolgen van dien. Omdat het milieu en ook de grondstoffenschaarste veelal mondiale componenten heeft, lijkt internationale regelgeving hier aan de orde.
De comparatief hoge loonkosten in het westen zijn het gevolg van het welvaartsverschil en de lasten op de lonen. De ondernemer zal daar produceren waar hij het goedkoopste uit is. Aangezien de kosten van de welvaartsstaat m.a.w. de instandhouding van het maatschappelijk kapitaal, eenzijdig in “onze” loonkosten worden begrepen, vlucht het (privé)kapitaal voor zijn productie naar de landen waar slechts het “instandhoudingsloon” betaald hoeft te worden. Bij de burgers zorgt de regelgeving rondom het belasten van de lonen, voor de “opsluiting” van mensen binnen de kaders van de verzorgingsstaat.

Hierdoor krijgt het maatschappelijk kapitaal dat in de burger, zijn opleiding en zijn maatschappelijke inbedding besloten ligt, moeilijk kansen om uit te breken en productief te worden. Mensen proberen daaronder uit te komen, door zelf wat te beginnen, maar uitsluiting van de sociale regelingen maakt die drempel erg hoog, zodat zij voor het (privé) kapitaal geen bedreiging (concurrent) kunnen/zullen worden.

Invoering van een basisinkomen maakt enerzijds de tewerkstelling hier een stuk goedkoper, doordat het de loonkosten verlaagt en het anderzijds mensen stimuleert (arbeiders), om zichzelf tezamen met het in hunzelf besloten maatschappelijk kapitaal productief te maken en wel in hun eigen omgeving. Zo kan het maatschappelijk kapitaal zelf productief en creatief blijven en voor uitloging worden behoed. Invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen zou aldus de arbeidsmarkt drempelloos toegankelijk maken ook voor eigen innovatie en zzp-ers.

De klassenstrijd voorbij – instandhouding van het kapitaal

“Het kapitaal heeft gewonnen en ATV heeft geen kans”, zoveel is zeker, als je de samenleving tenminste als een klassenmaatschappij wil zien/begrijpen en je het kapitaal beperkt tot het privékapitaal. De mondige burger is echter niet meer te begrijpen in de zin van proletariaat, hij is zelf eigenaar van het maatschappelijk kapitaal en daarom is hij toe aan een centrale positie in de samenleving. Kapitaal is immers de in het verleden geaccumuleerde en de van God gegeven middelen, die door de samenleving ingezet worden voor de productie van goederen en diensten. Dit kapitaal, te onderscheiden in biokapitaal, maatschappelijk kapitaal en bedrijfskapitaal, vormt de rijkdom van een samenleving en dient door haar onderhouden en op peil gehouden te worden, om die samenleving verder te helpen, zich te laten ontwikkelen.

De onderhoudskosten van het bedrijfskapitaal zijn, als afschrijvingskosten, begrepen in de kosten (de kostprijs) van het product. De kosten ter instandhouding van het maatschappelijk kapitaal en het bio kapitaal, dienen ook in de kostprijs van de producten te worden begrepen, en wel via belastingheffing door de overheid/staat. Deze kosten bevatten in ieder geval de instandhoudingskosten van het milieu en de milieukwaliteit, maar ook de instandhoudingskosten van de maatschappelijke infrastructuur en van de mensen (de kapitaaldragers) zelf, door middel van een OBi (Onvoorwaardelijk Basisinkomen). De consequentie van deze kostprijsberekening kan worden uitgedrukt in de volgende slogan : “Wie de burger centraal stelt is voor een basisinkomen en wie de aarde lief heeft, belast de voetafdruk”.

Overigens hoeft de invoering van een OBi niet direct invloed te hebben op de inkomensverdeling, het kan zich grotendeels beperken tot het “plakken van andere etiketten”. Nu heeft immers in onze samenleving ook ± iedereen (genoeg) om van te leven, tenminste daar laten we ons als samenleving op voorstaan. Het gaat er om dat de verhoudingen en de initiatieven in de samenleving anders komen te liggen, dat daardoor de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt, fundamenteel verandert.
Belangrijke misstanden die om een oplossing schreeuwen, komen o.a. tot uiting in het feit dat nog vele mensen in de wereld honger hebben, terwijl er een overvloed aan voedsel wordt voortgebracht. Dat er in het westen overvloed aan goederen is, maar tevens werkeloosheid c.q. inkomensprecariaat. (In de 30-er jaren was er schaarste en werkeloosheid !) en dat de wereldwijde ecologische problemen de pan uit rijzen en alsmaar groter worden, hetgeen onszelf en onze kinderen bedreigt.
Deze ongerijmdheden vloeien rechtstreeks voort uit de nefaste werking van het economisch systeem en worden met andere woorden dus veroorzaakt door economische (wan)verhoudingen.

Welvaartsverschillen “manipuleren” prijsverhoudingen

In een (min of meer) gesloten economie worden de prijsverhoudingen eenvoudig bepaald door de ecologische gegevenheden (c.q. door “milieu-obstakels” die overwonnen moeten worden en dus kosten veroorzaken).  Als het uit maatschappelijk oogpunt “beter” gevonden wordt dat bepaalde goederen niet of minder gebruikt worden, worden deze gegevenheden aangevuld met (verbods)regels en eventuele manipulatie van de prijsverhoudingen door belastingheffing (accijnzen en eventueel invoerrechten). Verder veroorzaken verschillen in koopkracht (c.q./en macht) ook bepaalde ongelijkheden op de markt, dat is echter “all in the game” van de marktwerking zelf.
In een open globale economie zijn de ecologische gegevenheden relatief en naar de achtergrond gedrongen, maar de waardes in de markt hebben twee kanten nl. de waarde in die (beperkte) regio (in marxistische termen zou je kunnen spreken van “gebruikswaarde”) en de waarde op de globale markt, de ruilwaarde. Hier is de klassieke “ruilwaarde” een veel te beperkt begrip, omdat daar, in een min of meer gesloten economie, culturele verschillen geen rol spelen. Dus bij de dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, komt in een globale wereld bovenop de ruilwaarde nog een extra culturele component nl. het welvaartsverschil tussen landen en regio’s.

strijdtoneel Langs de “ecologische meetlat” die van nature de prijsverhoudingen bepaalt, zijn de prijsverhoudingen in de globale wereld dus ook nog “gelaagd” voor de welvaartsverschillen. Hierdoor staan in de globale wereld ruilwaarde en gebruikswaarde niet meer in een zuivere dialectische verhouding tot elkaar, maar is er eerder sprake van twee verschillende waardesystemen c.q. verschillende werelden/economieën. Als deze beide werelden toch in een markt worden gebracht, ontstaan er prijsverhoudingen die (langs de ecologische meetlat) “geperverteerd” zijn en dus de ecologie in een verkeerde richting duwen, c.q. overbelasten.

De verstoringen van het milieu die veroorzaakt worden door de economische activiteiten waarmee wij aldus geconfronteerd worden, vinden via economische krachten van de markt dan ook geen evenwicht meer, zij lopen alsmaar verder uit de hand door die perverse werking van het prijsmechanisme op wereldschaal. Noodmaatregelen die de ernstigste milieugevolgen van de beschreven economische wetmatigheid proberen te verminderen zijn weliswaar nuttig maar het is dweilen met de kraan open. De “economie” zal steeds opnieuw en dus structureel voor nieuwe milieuproblemen zorgen.
Dus niet alleen zijn noodmaatregelen via de UNO etc. aan de orde. Het is noodzakelijk om de perverse werking in de wereldprijs verhoudingen ten principale te corrigeren, willen we nog een aarde overhouden. Een dergelijke correctie kan bereikt worden door het element van de welvaartsverschillen uit de markt(werking) te halen en op die manier (weer) een level playing field te creëren, zodat ook op wereldschaal de markt “zijn werk kan doen” en er dus weer een dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde kan ontstaan.

Deze welvaartsverschillen vertalen zich rechtstreeks in loonverschillen c.q. in kosten van levensonderhoud. Door aldus de kosten van levensonderhoud uit de lonen te halen wordt het speelveld op wereldschaal weer gelijk en zullen die door het welvaartsverschil veroorzaakte loonverschillen voor globale ondernemingen ook geen reden meer zijn om hun productie te verleggen, naar zgn. lage lonen-landen.

Productiekrachten vs. productieverhoudingen

Een afdoende oplossing voor deze wereldwijde arbeidsprijs perversie zou zijn, het wereldwijde invoering van een OBi ter hoogte van het plaatselijke bestaansminimum.
Het (echte) loon zou dan inderdaad de beloning zijn voor de geleverde arbeid, want dat loon hoeft dan niet langer te dienen om het (naakte) bestaan te bekostigen. Van de andere kant (productiekant) kun je een basisinkomen ook zien als de (afschrijvings)kosten c.q. de instandhoudingskosten van de bevolking zelf, de dragers van het maatschappelijk kapitaal. In de bedrijfseconomische calculaties (leer van de kostprijs) gelden de afschrijvingskosten van bv. machines dan ook als daadwerkelijke kosten. Vanuit dat standpunt gezien behoort een OBi voor alle inwoners tot ook de “kosten”, die eerst gemaakt moeten worden voordat er maatschappelijk gesproken sprake is van “winst” c.q. van meerwaarde.

Omdat de mensen zelf ook onderdeel zijn van die bepaalde biotoop, is de instandhouding van hen ook zonder meer, een kwestie van duurzaamheid. De rest van de biotoop kan in stand gehouden worden door duurzaamheid zelf als norm voor de productie van goederen en diensten te stellen. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot prijsverhoudingen, die door de toekenning van een OBi in ieder geval het welvaartselement (uit de ruilwaarde) van de markt halen. Door aldus de ruilwaarde te ontdoen van de maatschappelijke gelaagdheid, die nu op wereldschaal staat tussen prioriteiten van ecologie en economie, kan de dialectiek van ruilwaarde en gebruikswaarde ook op wereldniveau worden hersteld en zullen de prijzen tot een aangepaste c.q. passende synthetische waardes tenderen.

In het cultureel-antropologisch model van de school van Claude Levi-Strauss is het dialectisch proces van productiekrachten en productieverhoudingen de hoofdtegenstelling c.q. de motor van de maatschappelijke ontwikkeling. In ons tijdsgewricht wordt de stand van de productiekrachten o.a. door de werking van internet en ICT in het algemeen zeer laagdrempelig en anarchistisch. Iedereen heeft toegang tot en deel aan de ontwikkeling van die productie krachten. Aan de kant van de productieverhoudingen wordt de hiërarchische top-down organisatie uit de tijd van de industriële revolutie, die nu nog toonaangevend is voor de organisatie van de samenleving, door de werking van het OBi, vervangen door een transparante toegankelijke democratie.

Door aldus de mensen zelf als dragers, organisators en ontwikkelaars te zien en te “organiseren” zou ook aan deze kant de dialectische verhouding kunnen worden hersteld. Daartoe is het noodzakelijk dat de burger ook materieel en feitelijk in staat is (wordt gesteld) om het heft in de (eigen) hand te nemen. Ook op de arbeidsmarkt is er dan sprake van een echte markt waarin vrager en aanbieder vrij zijn om te laten of te bieden. Een OBi is daarvoor onontbeerlijk, het vormt een daadwerkelijk handvat om de productieverhoudingen enigszins met de ontwikkeling van de productiekrachten in overeenstemming te brengen. Bovendien maakt het de weg vrij om de productiekrachten binnen het bereik van de (democratische) samenleving te brengen, zodat de mensen ook daadwerkelijk invloed krijgen op de ontwikkeling van de productiekrachten.

Invoering van een Onvoorwaardelijk Basisinkomen zorgt voor een nieuwe dynamiek

strijdtoneel Als er een OBi zou worden ingevoerd, waardoor de mensen dus bestaanszekerheid zouden hebben, zonder voorwaarden vooraf en gegarandeerd door de samenleving zelf, zal dit niet alleen een grote impact hebben op de werking van de (arbeids)markt maar ook op de totstandkoming van de prijzen. Immers te verwachten is dat mensen andere keuzes zullen maken, ook doordat er nieuwe prijsverhoudingen van goederen en diensten zullen ontstaan. Om die gelijktrekking van het globale speelveld echt tot zijn recht te laten komen, dienen lonen weer gelijk te worden aan de loonkosten, dat betekent dat er geen belasting meer dient te worden geheven op de lonen zelf.

Ook in de definitie van het nationaal inkomen moeten de “nationale” instandhoudingskosten als afschrijvingskosten worden geteld en betaald, zoals we dat ook in de bedrijfseconomie gewend zijn te doen. Dat betekent dat wij concreet aan iedere burger van die bepaalde “ biotoop”, een basisinkomen verschaffen en ook de rest van die biotoop in stand houden o.a. door duurzame c.q. circulaire productie. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot nieuwe prijsverhoudingen, die in ieder geval het welvaartselement uit de ruilwaarde op de globale markt halen en zo die ruilwaarde ontdoen van haar maatschappelijke gelaagdheid, die nu steeds staat tussen ecologische en economische (markt)waardes.

Door invoering van een OBi komen de ecologische en economische kringlopen dichter bij elkaar en komen duurzaamheid en economisch evenwicht in een dialectische verhouding tot elkaar. Zo komen economische prijsverhoudingen weer tot natuurlijke prijsverhoudingen, maar nu ook op wereldschaal. Pas door deze nieuwe prijsverhoudingen kunnen de wanverhoudingen in de wereldeconomie worden opgeheven, en kan er via de markt een duurzaam evenwicht ontstaan. Wel is hier alertheid geboden en zijn periodieke aanpassingen van het OBi over de wereld noodzakelijk. Zo kan het OBi wereldwijd tevens functioneren als een (alternatieve) wisselkoers, die zijn basis vindt in de reële economie.

Zo’n duurzaam economisch evenwicht is een voorwaarde voor alle andere duurzaamheid, omdat het de dynamiek van het menselijk handelen in overeenstemming brengt met de wetten van de natuur.

Maastricht, 14 juni 2018
J.J. Segers, econometrist

Foto’s:

 


1. De tekst van dit artikel is een bewerking van een ouder stuk.↩

Het bericht Basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief

strijdtoneel

Het Amerikaanse Pepsi in Indonesië

 

 

Leon Segers bezocht 13 juni j.l. een symposium in Utrecht, waar onderzoekers van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck van de Universiteit Antwerpen de bevindingen presenteerden van hun studie (gefinancierd door het Nederlandse Instituut Gak, kijk dit is het bestuur) naar de effecten van de invoering van een basisinkomen in Nederland. Hun conclusie: Het basisinkomen zorgt juist voor meer armoede. De koppen logen er niet om deze week. Maar wie het nieuwe onderzoek bestudeert (hier, hier, hier en hier, de oproep van een Vlaams parlementslid om te gaan experimenteren met een basisinkomen in België), denkt al gauw ‘onzin’. Ook Leon dacht ‘onzin’ en besloot om zijn visie te geven. Hij komt tot een heel andere conclusie dan de bovengenoemde onderzoekers. Zijn boodschap: Plaats het basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief, dan zie je dat de invoering ervan het nieuwe strijdtoneel van de klassenstrijd is.[1]

Strijdtoneel van de klassenstrijd

Het “strijdtoneel” van de klassenstrijd is zeer veranderd sinds de globalisering. Tot in de jaren 80 bestond het merendeel van het kapitaal nog uit materiële dingen, gebouwen, machines, etc. Het strijdtoneel was dus te overzien, stakingen etc. waren aan de orde van de dag en konden door de arbeidersklasse gebruikt worden als wapen. Een sociaal contract werd dus via countervailing power afgedwongen. Nu heeft “het kapitaal met vlag en wimpel gewonnen” zoals Alfred Kleinknecht dat uitdrukt.

Je zou ook kunnen zeggen dat het “strijdtoneel” zoek is, immers alleen voor buschauffeurs, ambtenaren en schoonmakers en andere “grondgebonden” bedrijven heeft het nog zin om te staken, alleen dus voor de pseudo-arbeiders. In andere, “echte” bedrijven, is men zelfs bang voor staking want het bedrijf kan zo maar “vertrekken”. Deze toonaangevende bedrijven zijn dus min of meer ongrijpbaar geworden. Het kapitaal dat er echt toe doet, “zwerft” over de aarde, op zoek naar rendement; in de bedrijven staan zetbazen aan het hoofd, die ook zo maar aan de dijk gezet kunnen worden. De “waarde” van het bedrijf wordt aan de beurzen bepaald en de “materiële vaste activa” zijn van relatieve waarde, van relatief belang geworden. De “brand” en de “know how” bepalen de winstgevendheid en dus de waarde.

Ook het proletariaat is van positie en inhoud veranderd. Het zijn niet meer “armoedzaaiers”, die alleen hun arbeid kunnen verkopen en aan de willekeur van de kapitalisten zijn overgeleverd. Nee, zij hebben zich verenigd en zijn participerende burgers geworden. Via een “zorgzame” overheid hebben zij in het verleden zelfs de kapitalisten de kosten van de verzorgingsstaat “op hun nek geschoven”.
Door deze kosten echter aan de “productieve” arbeider te hangen wordt die productieve arbeider nu “uit de (globale) markt geprijsd”. In deze wereld “moeten” de vakbonden smeken om “arbeidsplaatsen” en ze doen dat ook (!). Zij zijn van aanbieder van arbeid tot vrager van arbeid(splaatsen) geworden. In die rol zijn ze terecht gekomen, van klassenstrijd is zodoende geen sprake meer en zelfs nauwelijks nog van countervailing power.

En omdat het kapitaal via het banksysteem kan wegvluchten doet het dat natuurlijk ook, op zoek naar (meer) winst, met alle gevolgen van dien; nu de productie (vanwege de winst) naar de andere kant van de wereld wordt gedrongen, zijn wij in het westen alleen nog maar goed om koopkracht te leveren en zo voor de onontbeerlijke sprong in het geld te zorgen. Intussen loogt deze gang van zaken onze samenleving en het maatschappelijk kapitaal wel langzamerhand uit. Er vindt een soort van “onteigening” plaats, doordat de hier gemaakte (verkoop)winsten, elders in de wereld hun productieve neerslag vinden. In Nederland staat alleen het werkgever/werknemer structuurtje nog overeind en de SER doet z’n kunstje nog zo nu en dan, maar het heeft geen echte inhoud meer.

Ook het maatschappelijk kapitaal vertrekt !

De doelstelling van de sociaal democratie om, langs de lijn van organisatie van de samenleving dus via de staatsmacht, de arbeider aan zijn trekken te laten komen (hem een “fair share” van de welvaart toe te delen) heeft dus zijn einde gevonden bij de globalisering. Het privé kapitaal kan nu immers “ontsnappen” aan de macht van de staat. De verzorgingsmaatschappij is dus zogezegd in de lucht komen te hangen. De productie is almaar minder afhankelijk van het fysieke kapitaal als gebouwen en installaties, het immateriële kapitaal speelt een steeds grotere rol. Productie en productiviteit worden tegenwoordig meer bepaald door factoren die aan individuele mensen, aan samenwerkende mensen, aan teams hangen. Terwijl de overlegstructuren nog uit de tijd van het privékapitaal en de klassenstrijd stammen, is het “productieve kapitaal” dus veel meer een “maatschappelijk kapitaal” geworden. Dat maatschappelijk kapitaal wordt echter niet als zodanig beloond, ook niet voor zijn rol in het productieproces; de dragers ervan worden wel beloond c.q. eisen hun beloning op alsof het (alleen) hun eigen verdienste is.

Een dergelijk systeem waarin het maatschappelijk kapitaal als zodanig niet gezien c.q. niet beloond wordt en dus ook niet “onderhouden” wordt, loopt het gevaar om “uitgewoond” te raken. Feitelijk gebeurt dat ook al, naargelang de concrete productie uit de rijke wereld wordt verplaatst, verdwijnt daarmee op de duur ook de kennis en zeker de ontwikkeling van die kennis. De talentvolle cultuurdragers vertrekken of worden weggekocht en met hen verdwijnt dus ook de kennis c.q. het maatschappelijk kapitaal langzamerhand. Zij worden gelokt door de dynamiek van het kapitaal zelf m.a.w. zij volgen de “winst”. Europa zal langzaam leeglopen, zoals in de 19-de eeuw met Spanje en Portugal is gebeurd.

Scheve globalisering en maatschappelijke verarming

strijdtoneel

Overdag financieel technicus, ’s nachts muziek producer

Innovaties worden (dankzij ons maatschappelijk kapitaal) nog wel hier gedaan, maar zodra het aankomt op het materialiseren van deze uitvindingen, het omzetten ervan in producten, zijn onze productievoorwaarden veel te ongunstig, omdat de (loon)kosten veel te hoog zijn; die productie kan in de lage lonen landen veel “winstgevender” geschieden. Waarom? Omdat de (loon)kosten er veel lager zijn; de andere productievoorwaarden zijn namelijk elders zeker niet beter, uitgezonderd wellicht de regelgeving … met alle milieugevolgen van dien. Omdat het milieu en ook de grondstoffenschaarste veelal mondiale componenten heeft, lijkt internationale regelgeving hier aan de orde.
De comparatief hoge loonkosten in het westen zijn het gevolg van het welvaartsverschil en de lasten op de lonen. De ondernemer zal daar produceren waar hij het goedkoopste uit is. Aangezien de kosten van de welvaartsstaat m.a.w. de instandhouding van het maatschappelijk kapitaal, eenzijdig in “onze” loonkosten worden begrepen, vlucht het (privé)kapitaal voor zijn productie naar de landen waar slechts het “instandhoudingsloon” betaald hoeft te worden. Bij de burgers zorgt de regelgeving rondom het belasten van de lonen, voor de “opsluiting” van mensen binnen de kaders van de verzorgingsstaat.

Hierdoor krijgt het maatschappelijk kapitaal dat in de burger, zijn opleiding en zijn maatschappelijke inbedding besloten ligt, moeilijk kansen om uit te breken en productief te worden. Mensen proberen daaronder uit te komen, door zelf wat te beginnen, maar uitsluiting van de sociale regelingen maakt die drempel erg hoog, zodat zij voor het (privé) kapitaal geen bedreiging (concurrent) kunnen/zullen worden.

Invoering van een basisinkomen maakt enerzijds de tewerkstelling hier een stuk goedkoper, doordat het de loonkosten verlaagt en het anderzijds mensen stimuleert (arbeiders), om zichzelf tezamen met het in hunzelf besloten maatschappelijk kapitaal productief te maken en wel in hun eigen omgeving. Zo kan het maatschappelijk kapitaal zelf productief en creatief blijven en voor uitloging worden behoed. Invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen zou aldus de arbeidsmarkt drempelloos toegankelijk maken ook voor eigen innovatie en zzp-ers.

De klassenstrijd voorbij – instandhouding van het kapitaal

“Het kapitaal heeft gewonnen en ATV heeft geen kans”, zoveel is zeker, als je de samenleving tenminste als een klassenmaatschappij wil zien/begrijpen en je het kapitaal beperkt tot het privékapitaal. De mondige burger is echter niet meer te begrijpen in de zin van proletariaat, hij is zelf eigenaar van het maatschappelijk kapitaal en daarom is hij toe aan een centrale positie in de samenleving. Kapitaal is immers de in het verleden geaccumuleerde en de van God gegeven middelen, die door de samenleving ingezet worden voor de productie van goederen en diensten. Dit kapitaal, te onderscheiden in biokapitaal, maatschappelijk kapitaal en bedrijfskapitaal, vormt de rijkdom van een samenleving en dient door haar onderhouden en op peil gehouden te worden, om die samenleving verder te helpen, zich te laten ontwikkelen.

De onderhoudskosten van het bedrijfskapitaal zijn, als afschrijvingskosten, begrepen in de kosten (de kostprijs) van het product. De kosten ter instandhouding van het maatschappelijk kapitaal en het bio kapitaal, dienen ook in de kostprijs van de producten te worden begrepen, en wel via belastingheffing door de overheid/staat. Deze kosten bevatten in ieder geval de instandhoudingskosten van het milieu en de milieukwaliteit, maar ook de instandhoudingskosten van de maatschappelijke infrastructuur en van de mensen (de kapitaaldragers) zelf, door middel van een OBi (Onvoorwaardelijk Basisinkomen). De consequentie van deze kostprijsberekening kan worden uitgedrukt in de volgende slogan : “Wie de burger centraal stelt is voor een basisinkomen en wie de aarde lief heeft, belast de voetafdruk”.

Overigens hoeft de invoering van een OBi niet direct invloed te hebben op de inkomensverdeling, het kan zich grotendeels beperken tot het “plakken van andere etiketten”. Nu heeft immers in onze samenleving ook ± iedereen (genoeg) om van te leven, tenminste daar laten we ons als samenleving op voorstaan. Het gaat er om dat de verhoudingen en de initiatieven in de samenleving anders komen te liggen, dat daardoor de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt, fundamenteel verandert.
Belangrijke misstanden die om een oplossing schreeuwen, komen o.a. tot uiting in het feit dat nog vele mensen in de wereld honger hebben, terwijl er een overvloed aan voedsel wordt voortgebracht. Dat er in het westen overvloed aan goederen is, maar tevens werkeloosheid c.q. inkomensprecariaat. (In de 30-er jaren was er schaarste en werkeloosheid !) en dat de wereldwijde ecologische problemen de pan uit rijzen en alsmaar groter worden, hetgeen onszelf en onze kinderen bedreigt.
Deze ongerijmdheden vloeien rechtstreeks voort uit de nefaste werking van het economisch systeem en worden met andere woorden dus veroorzaakt door economische (wan)verhoudingen.

Welvaartsverschillen “manipuleren” prijsverhoudingen

In een (min of meer) gesloten economie worden de prijsverhoudingen eenvoudig bepaald door de ecologische gegevenheden (c.q. door “milieu-obstakels” die overwonnen moeten worden en dus kosten veroorzaken).  Als het uit maatschappelijk oogpunt “beter” gevonden wordt dat bepaalde goederen niet of minder gebruikt worden, worden deze gegevenheden aangevuld met (verbods)regels en eventuele manipulatie van de prijsverhoudingen door belastingheffing (accijnzen en eventueel invoerrechten). Verder veroorzaken verschillen in koopkracht (c.q./en macht) ook bepaalde ongelijkheden op de markt, dat is echter “all in the game” van de marktwerking zelf.
In een open globale economie zijn de ecologische gegevenheden relatief en naar de achtergrond gedrongen, maar de waardes in de markt hebben twee kanten nl. de waarde in die (beperkte) regio (in marxistische termen zou je kunnen spreken van “gebruikswaarde”) en de waarde op de globale markt, de ruilwaarde. Hier is de klassieke “ruilwaarde” een veel te beperkt begrip, omdat daar, in een min of meer gesloten economie, culturele verschillen geen rol spelen. Dus bij de dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, komt in een globale wereld bovenop de ruilwaarde nog een extra culturele component nl. het welvaartsverschil tussen landen en regio’s.

strijdtoneel Langs de “ecologische meetlat” die van nature de prijsverhoudingen bepaalt, zijn de prijsverhoudingen in de globale wereld dus ook nog “gelaagd” voor de welvaartsverschillen. Hierdoor staan in de globale wereld ruilwaarde en gebruikswaarde niet meer in een zuivere dialectische verhouding tot elkaar, maar is er eerder sprake van twee verschillende waardesystemen c.q. verschillende werelden/economieën. Als deze beide werelden toch in een markt worden gebracht, ontstaan er prijsverhoudingen die (langs de ecologische meetlat) “geperverteerd” zijn en dus de ecologie in een verkeerde richting duwen, c.q. overbelasten.

De verstoringen van het milieu die veroorzaakt worden door de economische activiteiten waarmee wij aldus geconfronteerd worden, vinden via economische krachten van de markt dan ook geen evenwicht meer, zij lopen alsmaar verder uit de hand door die perverse werking van het prijsmechanisme op wereldschaal. Noodmaatregelen die de ernstigste milieugevolgen van de beschreven economische wetmatigheid proberen te verminderen zijn weliswaar nuttig maar het is dweilen met de kraan open. De “economie” zal steeds opnieuw en dus structureel voor nieuwe milieuproblemen zorgen.
Dus niet alleen zijn noodmaatregelen via de UNO etc. aan de orde. Het is noodzakelijk om de perverse werking in de wereldprijs verhoudingen ten principale te corrigeren, willen we nog een aarde overhouden. Een dergelijke correctie kan bereikt worden door het element van de welvaartsverschillen uit de markt(werking) te halen en op die manier (weer) een level playing field te creëren, zodat ook op wereldschaal de markt “zijn werk kan doen” en er dus weer een dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde kan ontstaan.

Deze welvaartsverschillen vertalen zich rechtstreeks in loonverschillen c.q. in kosten van levensonderhoud. Door aldus de kosten van levensonderhoud uit de lonen te halen wordt het speelveld op wereldschaal weer gelijk en zullen die door het welvaartsverschil veroorzaakte loonverschillen voor globale ondernemingen ook geen reden meer zijn om hun productie te verleggen, naar zgn. lage lonen-landen.

Productiekrachten vs. productieverhoudingen

Een afdoende oplossing voor deze wereldwijde arbeidsprijs perversie zou zijn, het wereldwijde invoering van een OBi ter hoogte van het plaatselijke bestaansminimum.
Het (echte) loon zou dan inderdaad de beloning zijn voor de geleverde arbeid, want dat loon hoeft dan niet langer te dienen om het (naakte) bestaan te bekostigen. Van de andere kant (productiekant) kun je een basisinkomen ook zien als de (afschrijvings)kosten c.q. de instandhoudingskosten van de bevolking zelf, de dragers van het maatschappelijk kapitaal. In de bedrijfseconomische calculaties (leer van de kostprijs) gelden de afschrijvingskosten van bv. machines dan ook als daadwerkelijke kosten. Vanuit dat standpunt gezien behoort een OBi voor alle inwoners tot ook de “kosten”, die eerst gemaakt moeten worden voordat er maatschappelijk gesproken sprake is van “winst” c.q. van meerwaarde.

Omdat de mensen zelf ook onderdeel zijn van die bepaalde biotoop, is de instandhouding van hen ook zonder meer, een kwestie van duurzaamheid. De rest van de biotoop kan in stand gehouden worden door duurzaamheid zelf als norm voor de productie van goederen en diensten te stellen. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot prijsverhoudingen, die door de toekenning van een OBi in ieder geval het welvaartselement (uit de ruilwaarde) van de markt halen. Door aldus de ruilwaarde te ontdoen van de maatschappelijke gelaagdheid, die nu op wereldschaal staat tussen prioriteiten van ecologie en economie, kan de dialectiek van ruilwaarde en gebruikswaarde ook op wereldniveau worden hersteld en zullen de prijzen tot een aangepaste c.q. passende synthetische waardes tenderen.

In het cultureel-antropologisch model van de school van Claude Levi-Strauss is het dialectisch proces van productiekrachten en productieverhoudingen de hoofdtegenstelling c.q. de motor van de maatschappelijke ontwikkeling. In ons tijdsgewricht wordt de stand van de productiekrachten o.a. door de werking van internet en ICT in het algemeen zeer laagdrempelig en anarchistisch. Iedereen heeft toegang tot en deel aan de ontwikkeling van die productie krachten. Aan de kant van de productieverhoudingen wordt de hiërarchische top-down organisatie uit de tijd van de industriële revolutie, die nu nog toonaangevend is voor de organisatie van de samenleving, door de werking van het OBi, vervangen door een transparante toegankelijke democratie.

Door aldus de mensen zelf als dragers, organisators en ontwikkelaars te zien en te “organiseren” zou ook aan deze kant de dialectische verhouding kunnen worden hersteld. Daartoe is het noodzakelijk dat de burger ook materieel en feitelijk in staat is (wordt gesteld) om het heft in de (eigen) hand te nemen. Ook op de arbeidsmarkt is er dan sprake van een echte markt waarin vrager en aanbieder vrij zijn om te laten of te bieden. Een OBi is daarvoor onontbeerlijk, het vormt een daadwerkelijk handvat om de productieverhoudingen enigszins met de ontwikkeling van de productiekrachten in overeenstemming te brengen. Bovendien maakt het de weg vrij om de productiekrachten binnen het bereik van de (democratische) samenleving te brengen, zodat de mensen ook daadwerkelijk invloed krijgen op de ontwikkeling van de productiekrachten.

Invoering van een Onvoorwaardelijk Basisinkomen zorgt voor een nieuwe dynamiek

strijdtoneel Als er een OBi zou worden ingevoerd, waardoor de mensen dus bestaanszekerheid zouden hebben, zonder voorwaarden vooraf en gegarandeerd door de samenleving zelf, zal dit niet alleen een grote impact hebben op de werking van de (arbeids)markt maar ook op de totstandkoming van de prijzen. Immers te verwachten is dat mensen andere keuzes zullen maken, ook doordat er nieuwe prijsverhoudingen van goederen en diensten zullen ontstaan. Om die gelijktrekking van het globale speelveld echt tot zijn recht te laten komen, dienen lonen weer gelijk te worden aan de loonkosten, dat betekent dat er geen belasting meer dient te worden geheven op de lonen zelf.

Ook in de definitie van het nationaal inkomen moeten de “nationale” instandhoudingskosten als afschrijvingskosten worden geteld en betaald, zoals we dat ook in de bedrijfseconomie gewend zijn te doen. Dat betekent dat wij concreet aan iedere burger van die bepaalde “ biotoop”, een basisinkomen verschaffen en ook de rest van die biotoop in stand houden o.a. door duurzame c.q. circulaire productie. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot nieuwe prijsverhoudingen, die in ieder geval het welvaartselement uit de ruilwaarde op de globale markt halen en zo die ruilwaarde ontdoen van haar maatschappelijke gelaagdheid, die nu steeds staat tussen ecologische en economische (markt)waardes.

Door invoering van een OBi komen de ecologische en economische kringlopen dichter bij elkaar en komen duurzaamheid en economisch evenwicht in een dialectische verhouding tot elkaar. Zo komen economische prijsverhoudingen weer tot natuurlijke prijsverhoudingen, maar nu ook op wereldschaal. Pas door deze nieuwe prijsverhoudingen kunnen de wanverhoudingen in de wereldeconomie worden opgeheven, en kan er via de markt een duurzaam evenwicht ontstaan. Wel is hier alertheid geboden en zijn periodieke aanpassingen van het OBi over de wereld noodzakelijk. Zo kan het OBi wereldwijd tevens functioneren als een (alternatieve) wisselkoers, die zijn basis vindt in de reële economie.

Zo’n duurzaam economisch evenwicht is een voorwaarde voor alle andere duurzaamheid, omdat het de dynamiek van het menselijk handelen in overeenstemming brengt met de wetten van de natuur.

Maastricht, 14 juni 2018
J.J. Segers, econometrist

Foto’s:

 


1. De tekst van dit artikel is een bewerking van een ouder stuk.↩

Het bericht Basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Het ongelijk van Marx over het basisinkomen

Marx presenteerde een studie waaruit zou blijken dat de armoede toe neent door invoering van basisinkomen. Hij kan helaas niet rekenen en de goede getallen niet bij elkaar vinden. Hij heeft geen gelijk!
Wat als … er in Nederland een basisinkomen komt? De ongelijkheid zou verkleinen, maar de armoede en de belastingen zouden flink stijgen.

Antwerpse wetenschappers waaronder Ive Marx hebben Nederland onderzocht. Een basisinkomen van € 702  ( en verhoging van de kinderbijslag van € 100 naar € 165. Ondergetekende ging naar de wetenschappelijke discussie bijeenkomst in Utrecht op 13 juni. Wat bleek Marx kan niet rekenen, hij kan zelfs de relevante getallen niet bij elkaar zoeken.

Als je een basisinkomen invoert, dan krijgt iedereen dat basisinkomen. Ook degenen die nu betaald werk hebben. Het is niet de bedoeling dat die werkenden er opeens een heel basisinkomen extra bij krijgen. Het is alle benaderingen gebruikelijk om de aftrekposten in de inkomensbelasting voor werkenden geheel of grotendeels af te schaffen. Marx heeft deze belastingvoordelen voor werkenden slechts heel bescheiden verminderd met 11 miljard… Toen kwam hij 32 miljard tekort dat hij heeft opgelost door het basisinkomen zelf te belasten (sic) en de inkomensbelasting fors te verhogen.

Marx had alle belastingvoordelen van werkenden moeten afschaffen. Dat had € 46 miljard opgeleverd. 35 miljard euro meer.
Ook was het eerlijk geweest om de hypotheekrente aftrek helemaal te schrappen. Immers de bovenkant  van Nederland heeft helemaal geen heffingskorting of arbeidskorting. Maar die bovenkant krijgt ook dat basisinkomen. Dan is het wel zo eerlijk om hun hypotheekrente aftrek – wat deze groep extra veel voordeel oplevert – ook af te schaffen. Dat levert  € 14 miljard  op.
Kortom Marx heeft geen gelijk.

Een fatsoenlijk basisinkomen schaft de armoede af. Als de politieke wil er is dan is het ook te betalen. Kijk op de Rekentool van de Vereniging.

Alexander de Roo, Voorzitter VBi
14 juni 2018

.

Op de studie van Marx is op 13 juni stevige kritiek geleverd door Rutger Bregman, zie Basisinkomen vergroot de armoede? Onzin.
De tekst van de Antwerpse studie is nog niet beschikbaar, de presentatie was gebaseerd op eerste tussenresultaten.
De hoofdopzet van de studie lijkt enigszins vergelijkbaar met een eerdere rapportage van de OECD, zie op deze website OECD creëert verwarring over Basisinkomen en via De Correspondent een commentaar van Rutger Bregman Luie journalistiek van Elsevier en het Financieele Dagblad over het basisinkomen. Waaarschijnlijk had de OECD de getallen wel beter op orde dan Marx.
Zie ook een reactie van Philippe van ParijsHet ene basisinkomen is het andere niet.

Het bericht Het ongelijk van Marx over het basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Het ongelijk van Marx over het basisinkomen

Marx presenteerde een studie waaruit zou blijken dat de armoede toe neent door invoering van basisinkomen. Hij kan helaas niet rekenen en de goede getallen niet bij elkaar vinden. Hij heeft geen gelijk!
Wat als … er in Nederland een basisinkomen komt? De ongelijkheid zou verkleinen, maar de armoede en de belastingen zouden flink stijgen.

Antwerpse wetenschappers waaronder Ive Marx hebben Nederland onderzocht. Een basisinkomen van € 702  ( en verhoging van de kinderbijslag van € 100 naar € 165. Ondergetekende ging naar de wetenschappelijke discussie bijeenkomst in Utrecht op 13 juni. Wat bleek Marx kan niet rekenen, hij kan zelfs de relevante getallen niet bij elkaar zoeken.

Als je een basisinkomen invoert, dan krijgt iedereen dat basisinkomen. Ook degenen die nu betaald werk hebben. Het is niet de bedoeling dat die werkenden er opeens een heel basisinkomen extra bij krijgen. Het is alle benaderingen gebruikelijk om de aftrekposten in de inkomensbelasting voor werkenden geheel of grotendeels af te schaffen. Marx heeft deze belastingvoordelen voor werkenden slechts heel bescheiden verminderd met 11 miljard… Toen kwam hij 32 miljard tekort dat hij heeft opgelost door het basisinkomen zelf te belasten (sic) en de inkomensbelasting fors te verhogen.

Marx had alle belastingvoordelen van werkenden moeten afschaffen. Dat had € 46 miljard opgeleverd. 35 miljard euro meer.
Ook was het eerlijk geweest om de hypotheekrente aftrek helemaal te schrappen. Immers de bovenkant  van Nederland heeft helemaal geen heffingskorting of arbeidskorting. Maar die bovenkant krijgt ook dat basisinkomen. Dan is het wel zo eerlijk om hun hypotheekrente aftrek – wat deze groep extra veel voordeel oplevert – ook af te schaffen. Dat levert  € 14 miljard  op.
Kortom Marx heeft geen gelijk.

Een fatsoenlijk basisinkomen schaft de armoede af. Als de politieke wil er is dan is het ook te betalen. Kijk op de Rekentool van de Vereniging.

Alexander de Roo, Voorzitter VBi
14 juni 2018

.

Op de studie van Marx is op 13 juni stevige kritiek geleverd door Rutger Bregman, zie Basisinkomen vergroot de armoede? Onzin.
De tekst van de Antwerpse studie is nog niet beschikbaar, de presentatie was gebaseerd op eerste tussenresultaten.
De hoofdopzet van de studie lijkt enigszins vergelijkbaar met een eerdere rapportage van de OECD, zie op deze website OECD creëert verwarring over Basisinkomen en via De Correspondent een commentaar van Rutger Bregman Luie journalistiek van Elsevier en het Financieele Dagblad over het basisinkomen. Waaarschijnlijk had de OECD de getallen wel beter op orde dan Marx.
Zie ook een reactie van Philippe van ParijsHet ene basisinkomen is het andere niet.

Het bericht Het ongelijk van Marx over het basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

NEPNIEUWS: Basisinkomen vergroot armoede!

Het ‘wetenschappelijk’onderzoek dat is gedaan naar invoering van het basisinkomen in Nederland door de Belg Ive Marx, rammelt aan alle kanten. De conclusie dat invoering van een basisinkomen van 700 euro de armoede vergroot, daar was geen onderzoek voor nodig, dat kun je op je klompen aanvoelen.  [1] Volgens Marx is 702 euro het bijstandsbedrag voor een alleenstaande (is de helft van een stel). In de bijstand komt er dan nog een alleenstaande toeslag bij van een kleine 300€ De minimale bijdrage voor de bijstand voor een alleenstaande in 2018 is 992 euro.”[2] “Marx: Belastingen zouden met 32 procent omhoog moeten om gat te vullen.”[3c] Meneer Ive Marx is gevraagd […]

Het bericht NEPNIEUWS: Basisinkomen vergroot armoede! verscheen eerst op Nederlandstalig Netwerk Basisinkomen.

Argumenten voor basisinkomen vanuit de optiek van maatschappijvisie en ideologie

Naast een eerder overzicht van bezwaren tegen basisinkomen volgt nu een begin van het opsommen van argumenten vóór het basisinkomen.
Hieronder komen argumenten aan de orde onder het thema Maatschappijvisie en ideologie.

Naast een uitgebreide verzameling van bezwaren tegen basisinkomen (en de weerlegging daarvan) maak ik nu ook een begin met het opsommen van argumenten vóór het basisinkomen.

Opgemerkt zij dat sommige argumenten stoelen op feiten, andere zijn gebaseerd op overtuigingen waarvan niet vaststaat dat iedereen deze zonder nader onderzoek accepteert.

In deze bijdrage komen argumenten aan de orde onder het thema Maatschappijvisie en ideologie

1.
Voor basisinkomen is plaats in bijna alle politieke ideologieën. Bijvoorbeeld voor liberalen betekent het een einde aan de gedetailleerde staatsbemoeienis met – en controle op de mensen aan de onderkant van de samenleving, socialisten en communisten zien dat de zwaksten gesteund worden, religieuze overtuigingen doen hiermee recht aan de onderlinge solidariteit en pragmatici zien dat bureaucratie en knellende regelgeving kan verdwijnen.
Het basisinkomen kan overbruggend kan werken tussen de diverse politieke stromingen.

2.
Uitvoeren van waardevol onbetaald werk (vrijwilligerswerk, kinderen opvoeden, mantelzorg, etc.) is mogelijk bij een basisinkomen.
‘Open source’-werk dat iedereen ten goede komt en (juist daarom) moeilijk te betalen is, wordt hiermee veel gemakkelijker.
Met een basisinkomen kan voor tot nu toe onbetaald werk een beetje betaald gaan worden. Je hebt immers niet meer te maken met het minimumloon (dat afgeschaft kan worden), of met een aftrekpost op de uitkering. Dat kan dan leiden tot een toename van betaalde arbeid

3.
Basisinkomen vergroot de mogelijkheid om eigen ideeën en passies te ontwikkelen die meer voorbereiding/tijd kosten en risicovol zijn (geen garantie van slagen hebben).
Door de zekerheid van een basisinkomen kun je gemakkelijker iets uitproberen met minder risico’s dan nu in het huidige stelsel.
Het volgen van passies kan voorts leiden tot meer innovaties en tot een hogere productiviteit.

4.
Basisinkomen geeft mensen de ruimte beter na te denken welke activiteiten ze willen ondernemen, doordat ze enige economische onafhankelijkheid hebben. Dit betekent meer motivatie voor en creativiteit in het werk (betaald of niet)  doordat dit beter aansluit op de intrinsieke motivatie, maar ook productiviteitsverbetering en vermindering nutteloze arbeid.

5.
Basisinkomen geeft alle mensen meer mogelijkheden tot sociale participatie en bevordert daarmee de verlaging van eenzaamheid.
Bij een individueel basisinkomen wordt samenwonen gestimuleerd (of in elk geval niet langer afgestraft), waarmee eenzaamheid ook zal verminderen.

6.
De nog steeds bestaande verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt kunnen makkelijker worden overbrugd als er een basisinkomen is. Mannen kunnen er makkelijker voor kiezen om meer tijd te besteden aan hun gezin en daarmee hun partners meer ruimte geven op de arbeidsmarkt. Aan de andere kant kunnen ook vrouwen makkelijker kiezen om zeker in de eerste levensjaren van hun kinderen korter te gaan werken.
Aangezien de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt over de hele linie wordt verbeterd, hoeven zij niet bang te zijn dat ze na verloop van tijd over een nogal hoge drempel moeten stappen om weer aan betaald werk te gaan.
Het wordt makkelijker om elkaar af te wisselen; loopbaanonderbrekingen worden makkelijker.

7.
Een basisinkomen kan positief bijdragen aan problemen rond inkomensverdeling. Ten eerste vanwege hogere vaste inkomsten voor de laagstbetaalden. Ten tweede doordat de inkomsten voor mensen die onaangenaam werk uitvoeren meer betaald zullen krijgen aangezien er geen mensen zullen zijn die het werk voor een laag loon willen uitvoeren. Ten derde mogelijk ook, doordat mensen met de hoogste inkomens (met name ook inkomen uit vermogen) voor een deel gaan meebetalen aan het basisinkomen.
Mensen krijgen meer kansen om verbetering van hun inkomen te bewerkstelligen dan met het huidige systeem.

8.
Basisinkomen geeft meer mogelijkheden voor iedereen om na te denken over en actief bezig te zijn met kwesties als duurzaamheid en milieu.
Duurzaamheid wordt ook bevorderd door minder nutteloze productie. Verder zou het milieu-innovaties kunnen bevorderen.

9.
Bij invoering in heel Europa geeft basisinkomen de mogelijkheid tot  het meer creëren van saamhorigheid binnen Europa.

10.
Wereldwijde invoering van basisinkomen geeft de mogelijkheid armoede overal ter wereld te verkleinen en bestaanszekerheid te vergroten. Dit verkleint de noodzaak van economisch gedreven migratiestromen.
Wereldwijd basisinkomen werkt waarschijnlijk veel beter dan de huidige vormen van ontwikkelingshulp.

Eerder verscheen een overzicht met argumenten vanuit de optiek van Waarden en Mensbeeld.
Dit overzicht wordt de komende periode aangevuld met argumenten vanuit de optiek van Economie, Arbeidsmarkt, Overheid en bureaucratie, Grenzen en migratie en Welzijn en gezondheid

Alle overzichten kun je hier vinden: https://basisinkomen.nl/argumenten-voor-basisinkomen-een-overzicht/

Reyer Brons, 13 juni 2018

Het bericht Argumenten voor basisinkomen vanuit de optiek van maatschappijvisie en ideologie verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen, wat is dat ook al weer?

We moeten oppassen dat de tem basisinkomen niet bezoedeld raakt door charlatans, profiteurs, conservatieve politici en gemakzuchtige kretologie in krantenkoppen en op sociale media.

Basisinkomen verschijnt als term veel in krantenkoppen en op sociale media, maar dat betekent lang niet altijd dat de vlag de lading dekt.
Zo zie je vaak dat mensen beweren dat er in Nederland al lang basisinkomen is en dat dat bijstand heet. Of je leest dat de nieuwe Italiaanse regering basisinkomen in gaat voeren en dat mede daardoor Italië failliet zal gaan. Of de draai die Dijkhoff op het VVD congres aan de bijstand wilde geven wordt als een start voor het basisinkomen gezien. Of je gaat zevenblad verkopen om zelf je basisinkomen te verdienen.

Laten we proberen bij de les te blijven.
Een basisinkomen is een periodiek uitgekeerd en vrij besteedbaar bedrag voor iedere burger, dat voldoende is om volwaardig van te leven, zonder dat daar een verplichting tegenover staat en ongeacht het inkomen, vermogen of de samenstelling van het huishouden.
Er zijn varianten op deze omschrijving (zie bijvoorbeeld in Basisinkomen, soorten en terminologie, Wat is een Basisinkomen? En waarom eigenlijk? en Is het nou OBI of UBI? en wat is het verschil in #basisinkomen?)

Essentieel is dat er sprake is van vier kenmerken:

  • Universeel: elk persoon, ongeacht leeftijd, geslacht, afkomst, woonplaats heeft recht op basisinkomen.
  • Individueel: basisinkomen wordt per persoon uitgekeerd, en dus niet op basis van een gezin of huishouden.
  • Onvoorwaardelijk: basisinkomen is een mensenrecht zonder verplichting tot tegenprestatie en zonder toets op inkomen en/of vermogen.
  • Hoog genoeg: het bedrag moet hoog genoeg zijn om een waardige levensstandaard mogelijk te maken, die overeenkomt met de sociale en culturele standaard.

Als je iets tegenkomt wat onder vlag van basisinkomen wordt gepresenteerd, kun je het ook toetsen op vier criteria, zie aan het eind van dit bericht.


Charlatans en profiteurs

Er zijn altijd mensen die een verdienmodel zien rond een nieuwe term.
Het begint zo: je wordt uitgenodigd om een bijeenkomst bij te wonen, waar je wordt uitgelegd hoe je aan een basisinkomen kunt komen. Dromen van elke maand een bedrag van € 300 tot € 3.000 of meer  op je rekening. Het enige wat je hoeft te doen, is eerst wat inleggen in het gezamenlijke “piramide”project. Of het nu zevenblad is, of een bitcoin, het blijft gokken en oplichting.
Transparantie is ver te zoeken. Wil je voordat je de bijeenkomst gaat bezoeken iets meer weten over het “project” dan wordt er gezegd: “kom eerst maar langs, dan weet je alles”. Een duistere zaak, waarom geen openheid?
Dit soort zaken wordt door Robin Ketelaars aan de kaak gesteld in Basisinkomen als trekker voor charlatans.

De voorwaardelijke bijstandsbodem met opbouw van de VVD

Van heel ander kaliber is de draai die fractieleider Dijkhoff in zijn toespraak op het VVD-congres  wilde geven aan de bijstand. De Volkskrant: Dijkhoff wil bijstandsuitkering verlagen, en alleen verhogen voor mensen die zich nuttig maken.
In zijn uitwerking stelt hij voor de bijstandsuitkering te verlagen. Een aanvulling van de bijstandsuitkering tot het huidige niveau is alleen mogelijk voor wie bijvoorbeeld de taal spreekt, een opleiding volgt, solliciteert, of ‘iets nuttigs doet voor de medemens’.
Op het eerste gezicht lijkt die verlaagde bijstand op een soort basisinkomen. De aanvulling is dan een soort participatie-inkomen zoals ook wel is bepleit door prominent CDA-lid Raymond Gradus, zie Participatie-inkomen is prima alternatief voor onbetaalbaar basisinkomen.
Het idee is natuurlijk vlees nog vis. Het voldoet aan geen van de kenmerken van het basisinkomen (het is niet voor iedereen maar alleen voor bijstandstrekkers, bijstandsregelingen zijn niet individueel, er wordt wel getoetst om inkomen en vermogen, het bedrag is laag, alleen aanvulling is mogelijk bij een tegenprestatie).
De administratieve uitwerking van de punten waarop je kunt scoren kon nog wel eens heel ingewikkeld worden!
Terecht is er veel bezwaar tegen het idee, maar Aukje van Roessel waarschuwt in De Groene dat het haar niet zou verbazen als de vvd-fractievoorzitter zijn uitgewerkte plan uiteindelijk gaat lanceren onder de noemer basisinkomen. En met een onderkoelde kwinkslag het woord kaapt van ‘links’, al willen de huidige voorstanders van een basisinkomen dat dit gaat gelden voor iedereen, ook de werkenden, en zal Dijkhoff daar geen voorstander van zijn. Maar basisinkomen bekt lekkerder, de stapjes erbij ogen dan logischer, en een ander woord doet de bijstand, het systeem erachter en voor wie het was bedoeld sneller vergeten.

Wie denkt dat het niet zo ver gaat komen: toen Dijkhoff was uitgepraat, kreeg hij een staande ovatie.

Oppassen, dus!

 

Het vermeende Italiaanse basisinkomen

Heel slordig is de manier waarop in en over Italië de term basisinkomen valt. Wat daar is afgesproken is te merken aan een regeling waarbij degenen die niet over middelen beschikken en geen werk hebben, maar wel bereid zijn dat te accepteren als hen drie keer iets wordt aangeboden, een bedrag van € 780 krijgen. Dus niet voor iedereen, wel een toets, wel tegenprestatie vereist en een behoorlijk laag bedrag.
Dat in de pers en op de sociale media deze (waarschijnlijk in Italië broodnodige) vorm van bijstand als basisinkomen en als ontoelaatbare vorm van geldverspilling wordt weg gezet, kan een hinderlijke of zelfs gevaarlijke begripsverwarring bij velen veroorzaken.

Conclusie: voor voorstanders van het basisinkomen is er nog heel wat te doen om het idee uit te leggen en te propageren!

Reyer Brons, juni 2018

De vier toetsingscriteria (ontleend aan De vier criteria voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen):

Het is een individueel recht voor ieder mens

Universeel : Elke persoon, ongeacht leeftijd, afkomst, woonplaats, beroep etc. heeft recht om deze toewijzing te ontvangen.

Er is geen vermogens- en/of inkomenstoets

Geen toets: Iedereen heeft het recht op een OBI op individuele basis. Dit is de enige manier om de privacy te garanderen en om de controle over andere mensen te voorkomen. OBI zal onafhankelijk zijn van de burgerlijke staat, samenwonen of huishoudelijke configuratie of van het inkomen of eigendom van andere huishoud- of familieleden.

Er is geen dwang tot arbeid of tegenprestatie

Geen tegenprestatie: als een mensenrecht is het OBI niet afhankelijk van enige voorwaarden, of van een verplichting om betaald werk te nemen, of om te worden betrokken bij de dienstverlening aan de gemeenschap, of om je te gedragen volgens de traditionele rolpatronen. Noch zal het onderworpen zijn aan inkomen, spaargeld of eigendomsgrenzen.

Het bedrag is hoog genoeg voor een menswaardig bestaan

Hoog genoeg : Het bedrag moet zorgen voor een fatsoenlijke levensstandaard, die aan de sociale en culturele normen voldoet in het betrokken land. Het moet materiële armoede te voorkomen en de mogelijkheid bieden om te participeren in de samenleving en in waardigheid te leven.

Het bericht Basisinkomen, wat is dat ook al weer? verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.