Basisinkomen en vlaktaks

Bij een plan basisinkomen in te voeren, komt meestal ook aanpassing van het belastingstelsel aan de orde en vaak wordt dan gepleit voor een zogenaamde vlaktaks (flattax in het Engels).
Dat betekent dat alle inkomsten buiten het basisinkomen belast worden met eenzelfde percentage, bijvoorbeeld 40 % à 50 %.
Zie op Wikepedia voor meer achtergrondinformatie over de vlaktaks

Een vlaktaks betekent op twee punten een vereenvoudiging van het belastingstelsel:

  • Er is maar één tarief, in tegenstelling tot de huidige schijven die ook nog deels verschillen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd.
  • Alle aftrekposten, heffingskortingen en toeslagen worden vervangen door slechts één redelijk grote belastingvrije voet. Een variant daarop is een onbelast basisinkomen, wat eventueel ook de vorm kan krijgen van negatieve inkomsten belasting (NIB).

Door de combinatie van een vlaktaks met een flinke belastingvrije voet of een basisinkomen, is het feitelijke effect een behoorlijk progressieve belasting voor de lagere en de middeninkomens.

Vaak wordt in de discussie het begrip vlaktaks verengd tot het schijventarief, dus alleenhet eerste punt hierboven. Terecht kijken economen meestal naar de totale belastingdruk, ze betrekken ook alle complexe zaken uit het tweede punt hierbij.

Uiteraard zijn er geluiden om de hiervoor geschetste vlaktaks aan te passen. Bijvoorbeeld door wel aftrek voor hypotheekrente, giften of pensioenafdrachten toe te staan. Of door een toptarief in te stellen boven een bepaald inkomen om ook voor de hogere inkomens effectieve progressieve belastingdruk te krijgen.
Allerlei redeneringen vanuit deelbelangen en/of ideologische overtuigingen kunnen daarbij een rol spelen. Dat gaat uiteraard ten koste van de eenvoud, maar bij een verstandige uitvoering kan de schade op dat punt mogelijk mee vallen. Dit blijft een politieke keuze.

Het huidige Nederlandse kabinet schuift een klein tikkeltje richting vlaktaks door volgend jaar met 2 ipv 4 schijven te gaan werken: de inkomstenbelasting wordt 36,93 % en er komt een toptarief van 49,5 % voor inkomens vanaf € 68.800. Voor AOW-ers is er tot een inkomen € 34.404 een laag tarief van 18,65 %.
Maar aan het gedoe met toeslagen, heffingskortingen en aftrekposten verandert als zodanig niks afgezien van wat kleine bijstellingen.

Een aantal economen heeft bezwaar tegen de vlaktaks, omdat deze strijdig is met de optimale belastingdruk waarbij tegen zo beperkt mogelijke verstoring van de economie middelen afgeroomd worden door de staat. Een voorbeeld daarvan is Bas Jacobs, zie bijvoorbeeld zijn boek De prijs van gelijkheid en het artikel De onwenselijkheid van de vlaktaks en het basisinkomen (2014).

In zijn ogen (en hij onderbouwt dat met een degelijk economisch betoog) is een U-curve optimaal. Dus een hoger marginaal tarief voor de lage en de hoge inkomens, met een lager tarief voor de middeninkomens. In zijn boek laat hij ook zien dat vrijwel overal in de Westerse wereld zo’n U-curve is gerealiseerd. Er is meestal een hoger tarief voor de hogere inkomens om de sterkste schouders wat meer te laten dragen.
Bij de lage inkomens werkt het anders. Daar zijn specifieke steunmaatregelen die afgebouwd worden zodra mensen meer ‘normaal’ inkomen krijgen. Denk bijvoorbeeld aan inkomensafhankelijke heffingskortingen en de eveneens inkomensafhankelijke toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. Je wilt immers niet dat mensen die dat niet nodig hebben, het toch krijgen! Dit heeft dus niet met het schijventarief te maken, maar met de elementen die het belastbaar inkomen bepalen voordat de schijven worden toegepast.
Inmiddels is dit in Nederland zodanig doorgeslagen dat bijna de helft van de werkende bevolking inkomsten heeft die niet stijgen of dalen met een hoger of lager brutoloon. Men zit gevangen in een armoedeval, zie De oplossing voor de armoedeval en  Basisinkomen, bestaanszekerheid en negatieve inkomsten belasting: hoe heet eten we de soep?

Veel voorstanders van basisinkomen zullen weinig moeite hebben met een hoger belastingtarief voor de hogere inkomens. Een voorzichtige benadering zou kunnen zijn een circa 10 % hogere schijf voor de inkomens boven de € 60.000 à € 70.000 per jaar. Dat betreft dan circa 10 % à 5 % van de belastingplichtigen. Voorstanders van nivellering zullen verder willen gaan, maar daarmee verliezen ze de steun van economen als Bas Jacobs die er van overtuigd zijn dat dat ten koste gaat van de prikkel om meer te verdienen en daarmee de belastinginkomsten vermindert en de welvaart van het land daalt.
Het is natuurlijk ook mogelijk te werken met een meer verfijnd schijventarief (zie bijvoorbeeld de fair taks van Michiel van Hasselt), maar het is zeer de vraag of die extra ingewikkeldheid wat substantieels oplevert.

Lastiger ligt het bij de minst verdienenden. Het is geen probleem als het basisinkomen hoog genoeg is om ALLE specifieke regelingen te laten verdwijnen, maar dan moet het basisinkomen flink hoog worden. Als dat niet het geval is en er wel specifieke regelingen moeten zijn of blijven, moet iets bedacht worden om ook degenen die daar gebruik van maken niet af te ontmoedigen als ze toch kans zien ‘normaal’ inkomen te verwerven. Maar het mag geen bevooroordeling worden die uitlokt dat oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van die specifiek regelingen. Vermoedelijk doen dit soort situaties zich het meest voor bij alleenstaanden waar sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar ik kan niet overzien welke creativiteit voor specifieke gevallen er allemaal in ons stelsel is in gebouwd op al dan niet goede gronden!
Voor deze groep is dan inderdaad sprake van een relatief hoge marginale belastingdruk. Niet doordat de vlaktaks als zodanig wordt aangepast, maar doordat er en specifieke regeling bovenop komt.

Wat in deze overwegingen nog niet naar voren is gekomen, is de wenselijkheid de belasting meer en meer te verleggen van belasting op betaalde arbeid naar andere grondslagen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan omzet, verbruik van grondstoffen, financiële transacties, vermogenswinsten en erfenissen. Als we graag willen dat mensen werken, waarom zouden we juist dat dan belasten? Zie bijvoorbeeld een betoog van Leon Segers: Reactie op de discussie tussen Marcel Canoy en Bas Jacobs.
Hoe meer alternatieve grondslagen voor belastinginning ingevoerd worden, hoe lager de vlaktaks kan worden.
Een ouder en vergaand voorbeeld is te vinden via het model Ketelaars (2013), waar de loon – en inkomstenbelasting geheel is afgeschaft.

Het lijkt mij zeer verstandig om bij de invoering van het basisinkomen tegelijk te koersen op een ‘echte’ vlaktaks van circa 40 %, met een circa 10 % hoger toptarief voor hogere inkomens, bijvoorbeeld vanaf circa € 60.000 per jaar.
We zouden een jaar of tien kunnen nemen om het huidige stelsel in deze geest te verbouwen.

Als (en zolang) het basisinkomen niet hoog genoeg is om alle specifieke regelingen te kunnen vervangen, kan ik me daarbij voorstellen dat bij extra verdiensten 25 % van de inkomsten uit de specifieke regelingen behouden mag blijven, zodat er voor die regelingen een marginale belastingdruk van 75 % werkt.

Als er voldoend overeenstemming is dat dit ongeveer de goede koers is, wordt het tijd voor meer gedetailleerde uitwerkingen, zowel voor wat betreft de berekeningen als in de aanpassingen van het fiscale – en het sociale zekerheidstelsel.

Reyer Brons, 11 augustus 2018

Illustratie: Pixabay

Het bericht Basisinkomen en vlaktaks verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Suggestieve enquête van de ING over basisinkomen

De ING publiceerde op 6 augustus 2018 resultaten van een enquête over basisinkomen met onder de kop Basisinkomen? Meerderheid ziet het eigenlijk niet zitten,  met iets verder als vervolgboodschap Basisinkomen? Begrip van kosten maakt groot verschil.
Zie deze link naar de publicatie en hier voor een iets meer uitgebreide PDF over het  onderzoek van het ING Economisch Bureau.
Verder in de  publicatie vallen de termen onbetaalbaar en asociaal, een beproefd dilemma dat tegenstanders van basisinkomen graag inzetten.

De uitleg die men geeft van het basisinkomen is enigszins suggestief, op het punt van de kosten is men ronduit misleidend. Er wordt op geen enkele gesproken over aanpassing van het belastingstelsel, terwijl het toch zeer redelijk zou zijn een deel van de belastingvoordelen van degenen met inkomsten uit werk of anderszins enigszins te compenseren als betrokkenen ook een basisinkomen krijgen. De opgevoerde netto-kosten kunnen door dat wel te doen met 50 à 70 % gecompenseerd worden!
Maar zelfs als je dat niet doet, is de benadering erg beperkt. De ING benadert het basisinkomen alleen als boekhouder en niet als econoom. Je zou anders verwachten van een bank. De bestedingseffecten op inkomen en economie worden niet meegenomen in de vraagstelling. Misschien is het interessant om eens op Cocha.nl te kijken of op Batavirus. Daar wordt door Johan Horeman weergegeven wat de basisinkomen-effecten zijn met behulp van een simpel model van de Nederlandse economie in 2016. Ook verschillende benaderingen basisinkomen worden met elkaar vergeleken. Het gaat om de economie, het gaat om de markt, het gaat om een herschikking van gedrag van economische actoren in een verruimde markt. Haakt de ING dan af?

Ook de boodschap onbetaalbaar of asociaal is oudbakken. Zie bijvoorbeeld mijn weerwoord Basisinkomen, asociaal of onbetaalbaar? (december 2017) en meer recent Basisinkomen, tegenstanders gaan van dilemma naar trilemma.

Inmiddels heeft Alexander de Roo, voorzitter van de VBi, het volgende geschreven aan ING-onderzoeker Marten van Garderen:

Beste Marten,

Gefeliciteerd met Uw ING onderzoek naar het basisinkomen. Eerdere onderzoeken in Finland en Canada lieten ook zien dat de steun voor her basisinkomen drastisch daalt als de belastingen verhoogd worden. Dat is eigenlijk best logisch.

Derhalve is de echte vraag hoe hoog het basisinkomen kan worden zonder de belastingen te verhogen.
En hier komt een idee van de jonge D66 econoom Harro Boven van pas. Hij stelt voor om het basisinkomen te verdelen in twee pijlers. Een individueel deel en een huishouddeel, dat hetzelfde is voor alle huishoudens.

Het meest genoemde bedrag – dat ook weer in Uw onderzoek naar voren komt – is € 1.000. Alle volwassenen € 1.000 vereist inderdaad dat de belastingen omhoog moeten. Maar wat als we alle volwasenen ( onder de AOW leeftijd) een individueel basisinkomen geven van € 500 en alle 5,5 miljoen (‘volwassen’) huishoudens zonder AOWer een uniforme woontoeslag van € 500? [1] Dan begint een alleenstaande met € 1.000  en een stel met € 1.500. Dat past veel beter bij het huidige sociale minimum van de bijstand. Ook dit kost veel geld. Ongeveer 93 miljard euro. Maar door evenredige verlaging van uitkeringen, wegvallen van de bijstand, vervallen van naar de arbeidsmarkt toeleidenden maatregelen komt er circa € 37 miljard vrij. Ook moeten alle belasting voordelen voor werkenden vervallen ( zij krijgen immers ook dat basisinkomen) . Dat levert volgens de sleutel tabel van het Ministerie van Financiën € 42 miljard  op. Vervolgens is het redelijk om de hypotheekrente tot nul te laten dalen. Dat levert € 14 miljard  op ( gerekend vanaf de nieuwe ondergrens van 37% die Rutte wiI wil gaan invoeren). Iedereen krijgt een woontoelage dus volledige afschaffing van hypotheekrente is terecht ( en ook nodig om te voorkomen dat e deel van de bovenmodalen onevenredig van dat basisinkomen gaat profiteren. Al deze veranderingen leveren gezamenlijk ook circa 93 miljard euro op.

Kortom het is NIET nodig om de belastingen te verhogen.

Op 15 september houden wij een openbare bijeenkomst in Amsterdam. Daar zal de jonge econoom Harro Boven ook het woord voeren en zijn idee van dit basisinkomen op twee pijlers kunnen uitleggen. Ook Herman Wijffels zal het woord voeren.

Ik nodig U van harte uit om 15 september naar Amsterdam te komen. Zie de website donutdday.nl

Met vriendelijke groeten,

Alexander de Roo

PS over het teruglopen van het arbeidsaanbod. Het CPB heeft het verkiezingsprogramma van de Vrijzinnige Partij van Norbert Klein doorgerekend. Alle volwassen € 800 en een alleenstaandentoeslag van € 300. Dat betekent 5 % minder betaald werk. Maar zei Norbert Klein. Heel veel beneden modalen kijken tegen hele hoge marginale belasting tarieven aan als ze meer gaan verdienen. En dat wordt ( fors) minder door invoering van het basisinkomen. Ja zei het CPB, dat klopt, maar omdat we hier geen experimentele gegevens van hebben tellen we dit effect niet mee….Niet erg eerlijk.
Laura van der Geest was zo eerlijk om in de NRC toe te geven dat het berekenen van de revolutie lastig is.

Reyer Brons (redactie), 8 augustus 2018

Reactie van de webmaster: Bij het onderzoek van de ING is uitgegaan van het huidige stelsel, geen enkele verandering in belastingregime en controlebeleid. We kunnen dus niet van een transitimodel spreken waarin andere vormen van belasting worden gebruikt, zoals consumtiebelasting, grondstoffenbelasting, belasting op financiele transacties.
Een voorbeeld is te vinden via het model Ketelaars: http://basisinkomenvoordummies.nl waar het basisinkomen voldoet aan de 4 criteria voor Onvoorwaardelijk Basisinkomen (individueel, zonder toets, zonder plicht, hoog genoeg) die de Vereniging Basisinkomen voorstaat en waar tevens de loonbelasting geheel is afgeschaft.

[1] NB. Een woontoeslag is immers ook onderhevig aan de voordeurdelersregel en is daardoor nadelig voor kamerverhuur of individueel wonen in hetzelfde huis.

Het bericht Suggestieve enquête van de ING over basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Waarom klimaatactivisten voor het basisinkomen zouden moeten zijn.

In de blogpost “Angst voor klimaatverandering en wat klimaatconferenties kunnen aanpakken”[1] merkte ik op dat het nieuws over klimaatverandering ons heeft verontrust omdat het idee van klimaat zorgt voor betrouwbaarheid en stabiliteit te midden van de anarchie van het weer.

In dit artikel betoog ik dat enige stabiliteit alleen kan worden bereikt door een verandering in politieke en economische omstandigheden.

Ik kreeg de inspiratie bij het beluisteren van het radioprogramma “Punkt eins” op klimaatconferenties over “Ö1”.[2] Van de uitgenodigde gasten, een filmmaker en iemand die al jaren aan conferenties deelneemt, vernam ik heel over deze onderhandelingen en hun processen, maar het was weinig inspirerend ten opzichte van klimaatverandering.

Het feit dat de armen en de zwakken bijzonder worden getroffen door extreme weersomstandigheden is tragisch genoeg. De conclusie hieruit, dat men de klimaatverandering steeds meer moet bestrijden, is begrijpelijk. Maar het laat ook zien hoe de angst voor klimaatverandering ons prioriteiten stelt: het urgente probleem van armoede is niet opgelost. We weten ook dat de gemiddelde CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking meestal het hoogst is in samenlevingen waar de ongelijkheid groot is.

De visie volgens meneer L.

Bijzonder spannend aan de show “Punkt eins” zijn de oproepen van de luisteraars die vragen stellen aan de uitgenodigde experts en de andere gastsprekers.
Eén van deze oproepen kwam van een zekere meneer L., die zijn standpunt uiteenzette en daarmee zijn visie op een samenleving in de klimaatverandering. Land en grondstoffen in deze wereld moeten het algemeen welzijn dienen, en degenen die profiteren van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen – omdat ze land bezitten – zouden anderen daarvoor moeten compenseren.

Volgens L. zou deze vraag naar rechtvaardigheid kunnen worden gerealiseerd met een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBi). Zoals één van de grondleggers van de Verenigde Staten, Thomas Paine, schreef, zou het een erkenning zijn van het feit dat de hulpbronnen van deze wereld van ons allemaal zijn.

Ongekende kruispunten.

De kruispunten tussen klimaatverandering en onvoorwaardelijk basisinkomen werden verkeerd geïnterpreteerd in de haast die een live-uitzending vandaag vereist, hoewel mensen, zoals de beller meneer L., hebzucht, buitensporigheid, egoïsme, winst en jaloezie, een groot maatschappelijk kwaad noemen en dat daar volgens hen de verantwoordelijkheid lag voor de Klimaatverandering . Iedereen was het ermee eens: overmatige consumptie van hulpbronnen en morele brutaliteit gaan hand in hand.

Aan de andere kant zou er het Onvoorwaardelijk Basisinkomen zijn (OBi), wat ons gemeenschappelijk welzijn en de waarde van solidariteit die eraan ten grondslag ligt zou kunnen versterken, en ook de maatschappelijke destructiviteit van afgunst zou kunnen wegnemen. Met een OBi garandeert een samenleving haar leden een regelmatig inkomen, genoeg om fatsoenlijk van te leven, zonder dwang tot tegenprestatie.

Vasectomie tegen klimaatverandering

Terug naar meneer L., die uit de zending werd verwijderd met de woorden dat hij zijn utopische wens maar tot Christus moest richten. Klimaatverandering moest worden tegengegaan, legde de volgende beller uit met de vraag naar een verplichte vasectomie voor alle mannen boven de 40.

Het onderliggende idee van het beheersen van de bevolkingsgroei – meestal geflankeerd door racistische uitspraken over “degenen daar beneden” (lees het Zuidelijke halfrond) – mist nauwelijks een discussie over klimaatverandering. Het Chinese éénkindbeleid van de twintigste eeuw is tot nu toe het meest succesvolle klimaatbeleid geweest, ervan uitgaande dat de klimaatverandering en de mensen worden gereduceerd tot CO2.
Er is niets op zich om het over gezinsplanning te hebben, maar met een aanbeveling tot “castratie” maak je op dit soort gesprekspannel weinig vrienden.
Het verwijzen naar Jezus is realistischer, zelfs als het onvoorwaardelijke basisinkomen voor velen klinkt als domme praat. Maar hoe serieuzer men omgaat met de argumenten van de voorstanders, hoe overtuigender ze worden. In termen van klimaatverandering, kon het Obi, de gasten van de show zowel tevreden stellen in de mogelijkheden om de vereiste waardenormen te veranderen, als in de subliminale hunkering naar stabiliteit – zelfs zij die vandaag tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen argumenteren. Het garandeert het bestaan en de deelname van iedereen in het sociale leven.

Controversieel onder klimaatactivisten

Klimaatactivisten zijn verdeeld in hun mening over het onvoorwaardelijke basisinkomen, wat deels te wijten is aan de heterogeniteit van de klimaatbeschermingsbeweging en aan de andere kant aan het verband tussen klimaatverandering en broeikasgasemissies. Het feit dat broeikasgassen zoals CO2 hun naam niet voor niets dragen en dat zij verantwoordelijk zijn voor een groot deel van het broeikaseffect, is decennia lang het onderwerp geweest van een gekwalificeerde wetenschappelijke consensus. Maar hoe we omgaan met deze kennis, en hoe we deze politiek vertalen, zal en zal altijd het onderwerp van debat zijn.

Een argument van de OBi-sceptici onder de klimaatactivisten is als volgt: het basisinkomen zou geen goed klimaatbeleid zijn, aangezien de impact van een samenleving met een OBi op CO2-emissies onduidelijk is. De emissies kunnen zelfs toenemen met BGE.

Niet alleen klimaatactivisten zien in de taak van het klimaatbeleid het bevorderen van processen die minstens CO2-neutraal zijn, dat wil zeggen, de som van dat wat vrijkomt in de atmosfeer en, bijvoorbeeld, dat wat vastgehouden wordt in de bodem, mag niet groter zijn dan nul in alle subprocessen. Het feit dat aardgas bijvoorbeeld wordt verbrand met een lagere uitstoot dan kolen, wordt slechts met tegenzin genoteerd.

CO2-neutraliteit tegen elke prijs?

Echter, met de in principe correcte vraag naar CO2-neutraliteit, zou het ook mogelijk zijn om processen te voorkomen die anders een ongeplande en onvoorspelbare CO2-reductie zouden hebben.
Toen de bekende klimaatonderzoeker Ottmar Edenhofer in de Süddeutsche Zeitung sprak over de noodzaak om het perspectief mbt het klimaatbeleid uit te breiden, geloofde ik aanvankelijk dat hij een vergelijkbare redenering zou volgen. Waarschijnlijker, met het oog op de mislukte onderhandelingen van de Jamaïca-coalitie, eiste hij dat deze coalitie in Duitsland zou worden gestopt: “Dat is de enige manier om de wereld te redden – en Duitsland.

Jamaica-coalitie is een term die betrekking heeft op de binnenlandse politiek van Duitsland na 1995. Het is de benaming voor een coalitie tussen de politieke partijen CDU/CSU, FDP en Bündnis 90/Die Grünen. (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Jamaica-coalitie

Verandering in perspectief.

De metafoor van het perspectief is nog steeds goed. Vanuit een ander perspectief kan het OBi worden gezien als een instrument voor het klimaatbeleid in termen van broeikasgasreductie. Het kan een positief neveneffect op de CO2-uitstoot hebben. In het volgende wil ik als een gedachte-experiment de vraag onderzoeken hoe een OBi ons gedrag, onze consumptie en dus de CO2-uitstoot beïnvloedt. Ik nodig u uit om zeven stellingen in het forum te bespreken en meer toe te voegen.

Stelling 1: Een maatschappij met OBi vermindert het ‘frustratie-winkelen’
De meeste mensen zijn er bekend mee: het gevoel van frustratie of beloningsaankopen, niet per ongeluk in het Engels ‘retail-therapie’ genoemd, duurt nog enkele dagen en weken. Als het effect voorbij is, moeten er nieuwe ‘dingen’ worden geproduceerd, vaak worden consumentenleningen opgenomen.

Een reden voor deze aankopen ligt voor de hand: de ene beloont zichzelf of geeft zichzelf een goed gevoel, bijvoorbeeld voor een beetje zinvol betaald werk. Als ik daarin ontevreden ben, maar de situatie weet niets te veranderen, heb ik nog steeds het koopplezier. De behoefte aan meer zin in het leven zou ook de achtergrond kunnen zijn van een verkorte werkweek van de huidige voltijdse werknemers, die zou worden verwacht op basis van enquêtes ivm de invoering van een OBi. Het verminderen van frustratie-aankopen zou een vermindering van het verbruik en de productie van gekochte goederen als compensatie betekenen.

Stelling 2: Het OBi s goed voor reparaties en maakt verbruiksvermindering mogelijk
Omdat er meer vrije tijd zou zijn met een OBi, kunnen dingen worden gerepareerd in plaats van weggegooid. De omvang van dit effect houdt onder meer verband met de financiering van het OBi. Als het OBi hoofdzakelijk wordt gefinancierd via een verbruiksbelasting en als belastingvrijstelling voor elke belastingbetaler, dat wil zeggen consumenten die worden betaald, is het paradigma van het belastingparadigma van werk naar consumptiegerichte reparatiediensten goedkoper dan nieuwe aankopen.

Consumptievermindering zou eigenlijk worden beloond met het OBi – omdat elke persoon zelf zou kunnen beslissen hoeveel belasting hij bereid is te betalen en ook: hoeveel hij wil consumeren. Algemene verbruiksvermindering zou resulteren in een lagere OBi. Omdat dit terugkeert naar prijzen, zou er weinig verandering in de koopkracht van het individu zijn. De economie zou op een gezonde wijze krimpen.

Stelling 3: Het Obi vermindert de uitstoot van woon-werkverkeer
Miljarden kilometers woon-werkverkeer alleen om betaalde arbeid te verrichten, zouden in twijfel worden getrokken met het OBi. In Duitsland reizen pendelaars bijvoorbeeld meer dan duizend keer per dag naar de maan. En omdat het inkomen bij mensen plaatsgebonden is, kan het ook worden opgevat als een instrument tegen plattelandsvlucht met alle gevolgen van dien, zonder de complexiteit van het fenomeen van de uittocht op het platteland te onderschatten.

Stelling 4: Het Obi versterkt het gemeenschapsgevoel.
Samen slagen we erin dat de doen wat individueel niet kan “Ook omdat het gevoel van gemeenschap wordt versterkt door het OBi – we garanderen het elkaar en onvoorwaardelijk – kan een vermindering van de materiële consumptie worden verwacht door gedeelde dingen zoals woonruimte, auto’s, gereedschap, enzovoort.

Stelling 5: Het Obi als opstarthulp en open source.
Wie goede ideeën heeft, moet nu octrooien aanvragen om van zijn werk te leven. Hij moet zijn intellectuele eigendom beschermen. Omdat het levensonderhoud in ieder geval wordt gewaarborgd door het onvoorwaardelijke basisinkomen, zou men zijn idee, zoals software, niet tegen elke prijs moeten patenteren. Het is ook gemakkelijker om goede ideeën te delen en er ook aan te werken, omdat iedereen een basisinkomen ontvangt en het dus eenvoudiger wordt om gezamenlijke projecten te financieren. Het OBi zou een levenslange opstarthulp zijn voor hobbyisten en ondernemers.

Stelling 6: Het Obi bevordert milieuvriendelijk ondernemen.
Milieu-onvriendelijk gedrag wordt steeds vaker afgekeurd, het wordt als immoreel beschouwd om een ​​SUV te besturen of een mazoutketel te gebruiken. Vaak wordt men echter gedwongen om dit te doen door externe omstandigheden. Dit geldt voor zowel particulieren als bedrijven. Het OBi dwingt bedrijven nu om zich te gedragen volgens de waarden van werknemers, klanten en eigenaren. Als een bedrijf er te sterk of permanent van afbuigt, zouden de consequenties meer coherent zijn dan ze nu zijn, omdat de macht verschuift naar werknemers die worden beschermd door het OBi. Zelfs vandaag verliezen bedrijven die niet voldoen aan een bepaald niveau van bedrijfsmilieu en sociale verantwoordelijkheid hooggekwalificeerde betaalde werknemers, zoals gehoord in een paneldiscussie van het Alois Mock Institute in oktober 2017. Veel bedrijven zouden milieubeheer dan ook waarderen als een zaak van waarde, omdat milieubelastende concepten in een samenleving die dit gedrag verbiedt, alleen kunnen worden gehandhaafd met hogere lonen – en dus met prijzen.

Stelling 7: Het Obi faciliteert mileubewust ecologisch leven en milieuactivisme.
Iedereen die een betaalde baan heeft, milieubewust leeft en zelfs actief betrokken wil zijn bij de bescherming van het milieu, weet wat hem hindert: het gebrek aan kostbare tijd. Het onvoorwaardelijke basisinkomen stelt de ontvangers – wij allen – in staat de nodige tijd te nemen, omdat een basis inkomen tot het einde van het leven is gewaarborgd. Zelfs voor degenen die geen zin meer hebben in hun werk en die vanwege slechte arbeidsomstandigheden denken aan het beëindigen of heronderhandelen van het contract, biedt het OBi de mogelijkheid voor meer vrijheid en tijd.

Antithese: mensen met een OBi zouden meer consumeren
Dat is denkbaar, vooral in het begin, maar er zou kunnen worden belast op de verbruiksbelasting die schadelijk is voor het milieu en hoger. Reeds vandaag eist het Duitse Federale Milieuagentschap een hogere belasting op de toegevoegde waarde op vlees en melk. De kansen die gepaard gaan met een onvoorwaardelijk basisinkomen zijn dus sterk afhankelijk van het ontwerp of de financiering. Met de verschuiving van het belastingparadigma van werk naar consumptie, zou de giftige angel jaloezie kunnen worden uitgetrokken: hoewel er betalers en ontvangers zijn in het stelsel van inkomstenbelasting, zouden we elkaar altijd in het verbruiksbelastingstelsel het OBi vergoeden.

Nog steeds controversieel?
Voor milieubewuste burgers zou het onvoorwaardelijke basisinkomen het ontbrekende “besturingssysteem van duurzaamheid” zijn, daar is de Duitse publicist Adrienne Göhler van overtuigd. Het zou de juiste raamvoorwaarden creëeren voor een reductie van broeikasgassen. Ook luisteraar L. ziet ziet het zo. Het zou mensen meer bereidwillig maken om te veranderen, zonder de richting aan te geven, meent ook de Oostenrijkse klimaatonderzoeker Helga Kromp-Kolb.

Mathis Hampel behaalde een doctoraat in aardrijkskunde en wetenschap aan het King’s College in Londen, waar hij een proefschrift schreef over de interacties tussen klimaatwetenschap en politiek.

Auteur: Mathis Hampel

Bronhttps://mobil.derstandard.at/2000068205444/Warum-Klimaaktivisten-fuer-ein-bedingunglsoses-Grundeinkommen-sein-sollten

Vrije vertaling: Christina Lambrecht

Het bericht Waarom klimaatactivisten voor het basisinkomen zouden moeten zijn. verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Waarom klimaatactivisten voor het basisinkomen zouden moeten zijn.

In de blogpost “Angst voor klimaatverandering en wat klimaatconferenties kunnen aanpakken”[1] merkte ik op dat het nieuws over klimaatverandering ons heeft verontrust omdat het idee van klimaat zorgt voor betrouwbaarheid en stabiliteit te midden van de anarchie van het weer.

In dit artikel betoog ik dat enige stabiliteit alleen kan worden bereikt door een verandering in politieke en economische omstandigheden.

Ik kreeg de inspiratie bij het beluisteren van het radioprogramma “Punkt eins” op klimaatconferenties over “Ö1”.[2] Van de uitgenodigde gasten, een filmmaker en iemand die al jaren aan conferenties deelneemt, vernam ik heel over deze onderhandelingen en hun processen, maar het was weinig inspirerend ten opzichte van klimaatverandering.

Het feit dat de armen en de zwakken bijzonder worden getroffen door extreme weersomstandigheden is tragisch genoeg. De conclusie hieruit, dat men de klimaatverandering steeds meer moet bestrijden, is begrijpelijk. Maar het laat ook zien hoe de angst voor klimaatverandering ons prioriteiten stelt: het urgente probleem van armoede is niet opgelost. We weten ook dat de gemiddelde CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking meestal het hoogst is in samenlevingen waar de ongelijkheid groot is.

De visie volgens meneer L.

Bijzonder spannend aan de show “Punkt eins” zijn de oproepen van de luisteraars die vragen stellen aan de uitgenodigde experts en de andere gastsprekers.
Eén van deze oproepen kwam van een zekere meneer L., die zijn standpunt uiteenzette en daarmee zijn visie op een samenleving in de klimaatverandering. Land en grondstoffen in deze wereld moeten het algemeen welzijn dienen, en degenen die profiteren van de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen – omdat ze land bezitten – zouden anderen daarvoor moeten compenseren.

Volgens L. zou deze vraag naar rechtvaardigheid kunnen worden gerealiseerd met een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBi). Zoals één van de grondleggers van de Verenigde Staten, Thomas Paine, schreef, zou het een erkenning zijn van het feit dat de hulpbronnen van deze wereld van ons allemaal zijn.

Ongekende kruispunten.

De kruispunten tussen klimaatverandering en onvoorwaardelijk basisinkomen werden verkeerd geïnterpreteerd in de haast die een live-uitzending vandaag vereist, hoewel mensen, zoals de beller meneer L., hebzucht, buitensporigheid, egoïsme, winst en jaloezie, een groot maatschappelijk kwaad noemen en dat daar volgens hen de verantwoordelijkheid lag voor de Klimaatverandering . Iedereen was het ermee eens: overmatige consumptie van hulpbronnen en morele brutaliteit gaan hand in hand.

Aan de andere kant zou er het Onvoorwaardelijk Basisinkomen zijn (OBi), wat ons gemeenschappelijk welzijn en de waarde van solidariteit die eraan ten grondslag ligt zou kunnen versterken, en ook de maatschappelijke destructiviteit van afgunst zou kunnen wegnemen. Met een OBi garandeert een samenleving haar leden een regelmatig inkomen, genoeg om fatsoenlijk van te leven, zonder dwang tot tegenprestatie.

Vasectomie tegen klimaatverandering

Terug naar meneer L., die uit de zending werd verwijderd met de woorden dat hij zijn utopische wens maar tot Christus moest richten. Klimaatverandering moest worden tegengegaan, legde de volgende beller uit met de vraag naar een verplichte vasectomie voor alle mannen boven de 40.

Het onderliggende idee van het beheersen van de bevolkingsgroei – meestal geflankeerd door racistische uitspraken over “degenen daar beneden” (lees het Zuidelijke halfrond) – mist nauwelijks een discussie over klimaatverandering. Het Chinese éénkindbeleid van de twintigste eeuw is tot nu toe het meest succesvolle klimaatbeleid geweest, ervan uitgaande dat de klimaatverandering en de mensen worden gereduceerd tot CO2.
Er is niets op zich om het over gezinsplanning te hebben, maar met een aanbeveling tot “castratie” maak je op dit soort gesprekspannel weinig vrienden.
Het verwijzen naar Jezus is realistischer, zelfs als het onvoorwaardelijke basisinkomen voor velen klinkt als domme praat. Maar hoe serieuzer men omgaat met de argumenten van de voorstanders, hoe overtuigender ze worden. In termen van klimaatverandering, kon het Obi, de gasten van de show zowel tevreden stellen in de mogelijkheden om de vereiste waardenormen te veranderen, als in de subliminale hunkering naar stabiliteit – zelfs zij die vandaag tegen een onvoorwaardelijk basisinkomen argumenteren. Het garandeert het bestaan en de deelname van iedereen in het sociale leven.

Controversieel onder klimaatactivisten

Klimaatactivisten zijn verdeeld in hun mening over het onvoorwaardelijke basisinkomen, wat deels te wijten is aan de heterogeniteit van de klimaatbeschermingsbeweging en aan de andere kant aan het verband tussen klimaatverandering en broeikasgasemissies. Het feit dat broeikasgassen zoals CO2 hun naam niet voor niets dragen en dat zij verantwoordelijk zijn voor een groot deel van het broeikaseffect, is decennia lang het onderwerp geweest van een gekwalificeerde wetenschappelijke consensus. Maar hoe we omgaan met deze kennis, en hoe we deze politiek vertalen, zal en zal altijd het onderwerp van debat zijn.

Een argument van de OBi-sceptici onder de klimaatactivisten is als volgt: het basisinkomen zou geen goed klimaatbeleid zijn, aangezien de impact van een samenleving met een OBi op CO2-emissies onduidelijk is. De emissies kunnen zelfs toenemen met BGE.

Niet alleen klimaatactivisten zien in de taak van het klimaatbeleid het bevorderen van processen die minstens CO2-neutraal zijn, dat wil zeggen, de som van dat wat vrijkomt in de atmosfeer en, bijvoorbeeld, dat wat vastgehouden wordt in de bodem, mag niet groter zijn dan nul in alle subprocessen. Het feit dat aardgas bijvoorbeeld wordt verbrand met een lagere uitstoot dan kolen, wordt slechts met tegenzin genoteerd.

CO2-neutraliteit tegen elke prijs?

Echter, met de in principe correcte vraag naar CO2-neutraliteit, zou het ook mogelijk zijn om processen te voorkomen die anders een ongeplande en onvoorspelbare CO2-reductie zouden hebben.
Toen de bekende klimaatonderzoeker Ottmar Edenhofer in de Süddeutsche Zeitung sprak over de noodzaak om het perspectief mbt het klimaatbeleid uit te breiden, geloofde ik aanvankelijk dat hij een vergelijkbare redenering zou volgen. Waarschijnlijker, met het oog op de mislukte onderhandelingen van de Jamaïca-coalitie, eiste hij dat deze coalitie in Duitsland zou worden gestopt: “Dat is de enige manier om de wereld te redden – en Duitsland.

Jamaica-coalitie is een term die betrekking heeft op de binnenlandse politiek van Duitsland na 1995. Het is de benaming voor een coalitie tussen de politieke partijen CDU/CSU, FDP en Bündnis 90/Die Grünen. (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Jamaica-coalitie

Verandering in perspectief.

De metafoor van het perspectief is nog steeds goed. Vanuit een ander perspectief kan het OBi worden gezien als een instrument voor het klimaatbeleid in termen van broeikasgasreductie. Het kan een positief neveneffect op de CO2-uitstoot hebben. In het volgende wil ik als een gedachte-experiment de vraag onderzoeken hoe een OBi ons gedrag, onze consumptie en dus de CO2-uitstoot beïnvloedt. Ik nodig u uit om zeven stellingen in het forum te bespreken en meer toe te voegen.

Stelling 1: Een maatschappij met OBi vermindert het ‘frustratie-winkelen’
De meeste mensen zijn er bekend mee: het gevoel van frustratie of beloningsaankopen, niet per ongeluk in het Engels ‘retail-therapie’ genoemd, duurt nog enkele dagen en weken. Als het effect voorbij is, moeten er nieuwe ‘dingen’ worden geproduceerd, vaak worden consumentenleningen opgenomen.

Een reden voor deze aankopen ligt voor de hand: de ene beloont zichzelf of geeft zichzelf een goed gevoel, bijvoorbeeld voor een beetje zinvol betaald werk. Als ik daarin ontevreden ben, maar de situatie weet niets te veranderen, heb ik nog steeds het koopplezier. De behoefte aan meer zin in het leven zou ook de achtergrond kunnen zijn van een verkorte werkweek van de huidige voltijdse werknemers, die zou worden verwacht op basis van enquêtes ivm de invoering van een OBi. Het verminderen van frustratie-aankopen zou een vermindering van het verbruik en de productie van gekochte goederen als compensatie betekenen.

Stelling 2: Het OBi s goed voor reparaties en maakt verbruiksvermindering mogelijk
Omdat er meer vrije tijd zou zijn met een OBi, kunnen dingen worden gerepareerd in plaats van weggegooid. De omvang van dit effect houdt onder meer verband met de financiering van het OBi. Als het OBi hoofdzakelijk wordt gefinancierd via een verbruiksbelasting en als belastingvrijstelling voor elke belastingbetaler, dat wil zeggen consumenten die worden betaald, is het paradigma van het belastingparadigma van werk naar consumptiegerichte reparatiediensten goedkoper dan nieuwe aankopen.

Consumptievermindering zou eigenlijk worden beloond met het OBi – omdat elke persoon zelf zou kunnen beslissen hoeveel belasting hij bereid is te betalen en ook: hoeveel hij wil consumeren. Algemene verbruiksvermindering zou resulteren in een lagere OBi. Omdat dit terugkeert naar prijzen, zou er weinig verandering in de koopkracht van het individu zijn. De economie zou op een gezonde wijze krimpen.

Stelling 3: Het Obi vermindert de uitstoot van woon-werkverkeer
Miljarden kilometers woon-werkverkeer alleen om betaalde arbeid te verrichten, zouden in twijfel worden getrokken met het OBi. In Duitsland reizen pendelaars bijvoorbeeld meer dan duizend keer per dag naar de maan. En omdat het inkomen bij mensen plaatsgebonden is, kan het ook worden opgevat als een instrument tegen plattelandsvlucht met alle gevolgen van dien, zonder de complexiteit van het fenomeen van de uittocht op het platteland te onderschatten.

Stelling 4: Het Obi versterkt het gemeenschapsgevoel.
Samen slagen we erin dat de doen wat individueel niet kan “Ook omdat het gevoel van gemeenschap wordt versterkt door het OBi – we garanderen het elkaar en onvoorwaardelijk – kan een vermindering van de materiële consumptie worden verwacht door gedeelde dingen zoals woonruimte, auto’s, gereedschap, enzovoort.

Stelling 5: Het Obi als opstarthulp en open source.
Wie goede ideeën heeft, moet nu octrooien aanvragen om van zijn werk te leven. Hij moet zijn intellectuele eigendom beschermen. Omdat het levensonderhoud in ieder geval wordt gewaarborgd door het onvoorwaardelijke basisinkomen, zou men zijn idee, zoals software, niet tegen elke prijs moeten patenteren. Het is ook gemakkelijker om goede ideeën te delen en er ook aan te werken, omdat iedereen een basisinkomen ontvangt en het dus eenvoudiger wordt om gezamenlijke projecten te financieren. Het OBi zou een levenslange opstarthulp zijn voor hobbyisten en ondernemers.

Stelling 6: Het Obi bevordert milieuvriendelijk ondernemen.
Milieu-onvriendelijk gedrag wordt steeds vaker afgekeurd, het wordt als immoreel beschouwd om een ​​SUV te besturen of een mazoutketel te gebruiken. Vaak wordt men echter gedwongen om dit te doen door externe omstandigheden. Dit geldt voor zowel particulieren als bedrijven. Het OBi dwingt bedrijven nu om zich te gedragen volgens de waarden van werknemers, klanten en eigenaren. Als een bedrijf er te sterk of permanent van afbuigt, zouden de consequenties meer coherent zijn dan ze nu zijn, omdat de macht verschuift naar werknemers die worden beschermd door het OBi. Zelfs vandaag verliezen bedrijven die niet voldoen aan een bepaald niveau van bedrijfsmilieu en sociale verantwoordelijkheid hooggekwalificeerde betaalde werknemers, zoals gehoord in een paneldiscussie van het Alois Mock Institute in oktober 2017. Veel bedrijven zouden milieubeheer dan ook waarderen als een zaak van waarde, omdat milieubelastende concepten in een samenleving die dit gedrag verbiedt, alleen kunnen worden gehandhaafd met hogere lonen – en dus met prijzen.

Stelling 7: Het Obi faciliteert mileubewust ecologisch leven en milieuactivisme.
Iedereen die een betaalde baan heeft, milieubewust leeft en zelfs actief betrokken wil zijn bij de bescherming van het milieu, weet wat hem hindert: het gebrek aan kostbare tijd. Het onvoorwaardelijke basisinkomen stelt de ontvangers – wij allen – in staat de nodige tijd te nemen, omdat een basis inkomen tot het einde van het leven is gewaarborgd. Zelfs voor degenen die geen zin meer hebben in hun werk en die vanwege slechte arbeidsomstandigheden denken aan het beëindigen of heronderhandelen van het contract, biedt het OBi de mogelijkheid voor meer vrijheid en tijd.

Antithese: mensen met een OBi zouden meer consumeren
Dat is denkbaar, vooral in het begin, maar er zou kunnen worden belast op de verbruiksbelasting die schadelijk is voor het milieu en hoger. Reeds vandaag eist het Duitse Federale Milieuagentschap een hogere belasting op de toegevoegde waarde op vlees en melk. De kansen die gepaard gaan met een onvoorwaardelijk basisinkomen zijn dus sterk afhankelijk van het ontwerp of de financiering. Met de verschuiving van het belastingparadigma van werk naar consumptie, zou de giftige angel jaloezie kunnen worden uitgetrokken: hoewel er betalers en ontvangers zijn in het stelsel van inkomstenbelasting, zouden we elkaar altijd in het verbruiksbelastingstelsel het OBi vergoeden.

Nog steeds controversieel?
Voor milieubewuste burgers zou het onvoorwaardelijke basisinkomen het ontbrekende “besturingssysteem van duurzaamheid” zijn, daar is de Duitse publicist Adrienne Göhler van overtuigd. Het zou de juiste raamvoorwaarden creëeren voor een reductie van broeikasgassen. Ook luisteraar L. ziet ziet het zo. Het zou mensen meer bereidwillig maken om te veranderen, zonder de richting aan te geven, meent ook de Oostenrijkse klimaatonderzoeker Helga Kromp-Kolb.

Mathis Hampel behaalde een doctoraat in aardrijkskunde en wetenschap aan het King’s College in Londen, waar hij een proefschrift schreef over de interacties tussen klimaatwetenschap en politiek.

Auteur: Mathis Hampel

Bronhttps://mobil.derstandard.at/2000068205444/Warum-Klimaaktivisten-fuer-ein-bedingunglsoses-Grundeinkommen-sein-sollten

Vrije vertaling: Christina Lambrecht

Het bericht Waarom klimaatactivisten voor het basisinkomen zouden moeten zijn. verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen voor hen die het niet nodig hebben, rijken en nuggers.

Een regelmatig terugkerend verwijt aan voorstanders van basisinkomen is dat ze, door iedereen een bassinkomen te geven, geld verspillen door dat ook te geven aan hen die het niet nodig hebben.
Nu is geld verschaffen niet zonder meer verspilling, je stimuleert daarmee de economie en dat betaalt zichzelf in belangrijke mate weer terug.

Maar, zeker als het overheidsgeld betreft, is de  wens het geld zo goed mogelijk te besteden wel terecht.

In de eerst plaats wordt vaak gesteld dat rijken (zoals miljonairs) dat niet nodig hebben. Ze krijgen vanaf zekere leeftijd ondanks hun rijkdom ook al AOW, maar dat is in de ogen van deze tegenstanders ook al overbodige verspilling.
Maar juist een basisinkomen voor de rijkeren is nog niet zo lastig. Dat kun je terughalen door de belastingen voor de rijken iets te verhogen met een klein toptarief. Hoewel er natuurlijk twijfel is of dat uiteindelijk lukt, rijken zijn immers redelijk in staat om belasting te ontwijken.
En je voorkomt een hoop extra administratie en controle voor de groep die net in de buurt van de grens zit van rijk-genoeg-of-net-nog-niet!
Bovendien is de groep niet zo heel groot. Er zijn ruim 100.000 miljonairs in Nederland en ongeveer evenveel huishoudens die meer dan 2 ton inkomen per jaar hebben. We praten dus over een bedrag in de orde van € 1 miljard.

Lastiger is de groep mensen die geen inkomsten uit betaalde arbeid en geen uitkering hebben. Dit betreft waarschijnlijk  circa 2,1 miljoen mensen. Echt goede statistieken zijn hier niet voor, er is kennelijk geen behoefte deze groep al te zichtbaar te maken. Als je eenmaal uit het systeem van de (betaald) werkenden en de uitkeringsgerechtigden bent gevallen, word je onzichtbaar!
Het genoemde aantal is ontleend aan artikel op de site Batavirus van juni 2018: De echte cijfers van de arbeidsmarkt deel 2. Het aantal groeit nog steeds ondanks de juichende verhalen over de aantrekkende arbeidsmarkt.

Bij een basisinkomen van € 1.000 zou dat dus bruto om circa € 25 miljard gaan. Niet niks!

Wat weten we van deze groep? Ik vermoed dat er o.a. in zitten:

  • huisvrouwen en huismannen. Een deel daarvan zal er bewust voor gekozen hebben, een deel is dat tegen wil en dank overkomen
  • mensen die gedurende enkele jaren de verzorging van hun kinderen zelf doen, om ideologische en /of financiële redenen
  • renteniers
  • zelfstandigen met geen of weinig opdrachten die eerst hun eigen huis en hun eigen auto op moeten eten
  • daklozen
  • uitkeringsgerechtigden die uit het systeem zijn gegooid wegens evidente fraude
  • uitkeringsgerechtigden die uit het systeem zijn gegooid door systeemfouten
  • WW-ers waarvan de uitkering afloopt, zonder dat ze recht op bijstand hebben
  • illegale asielzoekers

​Dit lijstje is vast niet compleet!​

Er zitten subgroepen in die min of meer bewust gekozen hebben geen uitkering te willen (zoals traditionele huisvrouwen), maar ongetwijfeld ook schrijnende gevallen waar sprake zou kunnen zijn van systeem-onrecht. Die groepen lopen groot risico ook met schulden te komen zitten. Daar zit dan in Nederland de echte armoede!
Verhalen over de wreedheid van ons systeem van sociale zekerheid (zie bijvoorbeeld UWVreselijk) zullen vaak in deze hoek spelen.

​De hele groep wordt soms aangeduid met de term nugger.​ Zie Wikepedia:

Werklozen zonder recht op WW, IOAW, IOW of Participatiewet worden aangeduid als nugger (niet-uitkeringsgerechtigde). Hiertoe behoort ook de voormalige zelfstandige met nog enig vermogen. De nugger leeft van het inkomen van zijn partner of teert in op zijn vermogen. In het geval van een groot vermogen, waarbij van de opbrengst geleefd kan worden, is de nugger onvrijwillig rentenier.

Waarschijnlijk krijgt een deel van de genoemde groep wel een kleine uitkering of een belastingkorting. Bijvoorbeeld niet-werkende echtgenoten ontvangen jaarlijks een algemene heffingskorting van circa € 1.000 van de belastingdienst.
En voor hun wel geld verdienende partners zijn er vaak ook belastingvoordelen.

Een eerste vraag is of we iets meer weten over de samenstelling van de groep. Hoeveel van welk soort etc. En hoeveel geld welke subgroepen op dit moment toch nog krijgen, direct of indirect. Zijn er veel ‘korte’ nuggers of juist veel die het 50 jaar volhouden van 18 tot 68?

Zal wel lastig zijn om te achterhalen, maar wie weet!
Vermoedelijk betreft circa twee-derde deel huisvrouwen en huismannen, die vaak maar tijdelijk volledig zonder eigen inkomsten zitten. Dat betekent dat een deel van deze  nuggers behoort tot de rijkere huishoudens!

Evident is dat als we deze hele groep basisinkomen geven (wat uiteraard vanzelfsprekend is vanuit de definitie van dit begrip) er geld uit andere bron voor gevonden moet worden. Waarschijnlijk veel  minder dan de als voorbeeld genoemde € 25 miljard bij een basisinkomen van € 1.000, maar toch vast wel minstens de helft daarvan.

Zeker als het aandeel traditionele huisvrouwen en huismannen heel groot is, is een denkbare uitruil de afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Dat betreft circa € 14 miljard en de meeste huishoudens met niet verdienende huisvrouwen of  – mannen zullen daar nu flink profijt van hebben.
Of een bescheiden toptarief voor hoge inkomens, zoals aan het begin van dit artikel ook al is gesuggereerd voor de rijken die daarmee hun eigen basisinkomen terug betalen.

Reyer Brons, 6 augustus 2018

Illustratie: Pixabay

Het bericht Basisinkomen voor hen die het niet nodig hebben, rijken en nuggers. verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Basisinkomen, tegenstanders gaan van dilemma naar trilemma

Na het valse dilemma dat basisinkomen asociaal of onbetaalbaar is, is er nu een trilemma dat stelt dat je niet tegelijk een voor ieder gelijk basisinkomen in kunt voeren, de armoede laten verdwijnen en de Belastdruk acceptabel kunt houden. Moeten we ons daar  bij neer leggen?

Lang werden voorstanders van basisinkomen door tegenstanders om de oren geslagen met de eenvoudige uitspraak dat basisinkomen onbetaalbaar is of asociaal.
Dit eenvoudige dilemma getuigt van kortzichtigheid en/of onwil, zie mijn weerwoord Basisinkomen, asociaal of onbetaalbaar? (december 2017). Met als conclusie:

Dat basisinkomen asociaal of onbetaalbaar is, is een onterechte en gemakzuchtige dooddoener.
Wie er voor open staat, kan nader onderzoek doen, experimenten bedenken of een compromis zoeken voor een haalbaar basisinkomen gecombineerd met belastingvereenvoudiging en behoud van een deel van de sociale zekerheid.

Inmiddels is er een nuancering van dit dilemma tot een trilemma.
Hoewel het word trilemma nog geen bestaand Nederlands woord is, heb ik het in de discussie over basisinkomen al zien gebruiken, o.a. door Ingrid Robeyns, Yve Marx en Alexander de Roo..
Het concept van het trilemma leeft sterk bij wetenschappers van de Universiteit van Bath zoals Luke Martinelli.
Ziehier een omschrijving van het trilemma door Tom Startup in het artikel Who are the winners and losers from a universal basic income? (juni 2017):
In welfare provision governments seem to be stuck with a kind of trilemma:  one can reduce poverty and preserve incentives to work, but only at great expense (Finland); or one can reduce poverty and keep the cost down, but undermine the incentives to work (UK); or one can keep the cost down and preserve incentives to work, but have little impact on poverty (US).  The UBI attempts to dodge this trilemma, but ultimately fails.

Kort gezegd zijn er drie  zaken die een grote rol spelen bij invoering van het basisinkomen; eenvoud, belastingdruk en armoede.
Maximale eenvoud betekent dat alle uitkeringen, toeslagen en belastingvoordelen weg kunnen, de belastingdruk mag niet te hoog worden en de armoede (inclusief de armoedeval) uitgebannen worden.
Het trilemma luidt als volgt: Je kunt twee van de drie zaken tegelijkertijd goed regelen, maar niet drie tegelijk.

Een simpele en op het oog kloppende redenering, maar in zijn simpelheid ook kortzichtig.
De bijbehorende rekensommen blijven dicht bij de patronen van inkomsten en uitgaven die we nu kennen. Het inschatten van gedragseffecten na invoering van basisinkomen is heel lastig. Gaan mensen meer (betaald) werken of juist minder, krijgen kleine bedrijfjes meer kansen, hoe ontwikkelt het zwarte circuit zich, wat is het effect van verminderde stress op volksgezondheid en veiligheid? We weten er onvoldoende van.
Tegenstanders zullen vermeende voordelen niet mee willen tellen, ze zijn immers nog onbewezen. Voorstanders doen dat ook maar niet om gemakkelijke kritiek te ontlopen.
Opvallend is ook dat de tegenstanders eigenlijk alleen maar de belastingdruk op betaalde arbeid leggen. Daarbij miskennen ze andere grondslagen voor belastingheffing, zoals bijvoorbeeld omzet (waaronder BTW) , gebruik van grondstoffen, vermogen, diverse bedrijfsbelastingen, erfenissen en financiële transacties.
Het is bovendien riskant om gezien de toenemende robotisering alle kaarten op het belasten van menselijke arbeid te zetten.

Verder valt de absoluutheid op. Je kunt ook proberen ze zaken voor een groot deel op te lossen en een beperkt aantal zaken wel specifiek te regelen. Als bijvoorbeeld de eenvoud voor 95 % van de mensen is geregeld is er al heel wat bereikt!
Het is pure onwil als je beweert dat daarmee de hele uitvoeringsbureaucratie in stand zou moeten blijven! Die kan gigantisch krimpen!
Ook mis ik elke creativiteit om serieus werk te maken van andere belastinggrondslagen dan betaalde arbeid. Zaken als belasting op financiële transacties kun je niet heel snel met een grote klap regelen, maar een begin maken en dat langzaam laten stijgen is best denkbaar. Zie bijvoorbeeld het idee van Bert Voorneveld.

Een voorbeeld van een compromis vind je in de rekentool van de VBi, in de variant € 650 basisinkomen voor 18 plus, € 300 voor 18 min en een woontoeslag van € 600 per huishouden. Een alleenstaande begint met € 1.250 en een stel met € 1.900. In deze variant kunnen alle andere toeslagen vervallen, maar moet de belastingdruk linksom of rechtsom wel een beetje stijgen als geen andere middelen worden gevonden.
Niet ieder zal dat dit compromis aantrekkelijk vinden, maar het laat zien dat oplossingen denkbaar zijn als we maar willen!

Ook wil ik nog wijzen op de optie om geleidelijk te beginnen. Start met een basisinkomen van € 200 of € 300 per volwassene per maand en compenseer dit in de uitkeringen voor hen die die ontvangen en in de belastingvoordelen voor degenen met inkomsten uit betaalde arbeid of andere bronnen.
Verhoog dan elke twee of drie jaar het bedrag met € 200 en bekijk hoe dit zich ontwikkelt.  Daarmee bouw je de uitvoeringsbureuacratie geleidelijk af zonder dat het meteen veel extra geld kost.
Volgens mij knapt het land er heel snel flink van op!

Kortom,  we moeten ons niet laten tegenhouden door een dilemma noch door een trilemma!

Reyer Brons, 3 augustus 2018

Illustratie: Pixabay

Het bericht Basisinkomen, tegenstanders gaan van dilemma naar trilemma verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Verslag FEMTalks 2018 Nederlandse VrouwenRaad

FEMTalks

 

 

FEMTalksOp 7 mei 2018 organiseerde de Nederlandse VrouwenRaad (NVR) een studiebijeenkomst in het kader van FEMTalks 2018, rond het thema: Een betere positie voor kwetsbare vrouwen dankzij een universeel basisinkomen? Hierbij het verslag van de middag.[1]

 

 

 

Inleiding

In de Europese en internationale arena valt steeds vaker de term ‘universeel basisinkomen’ (UBI) als oplossing voor de groeiende kloof tussen werkenden en degenen die noodgedwongen aan de kant staan. In Nederland vinden in Utrecht, Tilburg, Groningen en Wageningen experimenten plaats met een ‘regelluwe uitvoering van de bijstandswet’, als mogelijke opmaat naar een basisinkomen voor allen. In deze editie van FEMTalks gaat de NVR na op welke wijze een universeel basisinkomen kan bijdragen aan de versterking van de positie van (financieel) kwetsbare (groepen) vrouwen binnen een Europese context.

Marijke Jongbloed, vicevoorzitter van de NVR, was dagvoorzitter. De volgende sprekers waren uitgenodigd:

  • Mary Collins, Senior Policy Officer Economic and Social Policies, European Women’s Lobby (EWL) en vandaag de keynote speaker;
  • Dr. Loek Groot, universitair hoofddocent Economie van de publieke sector, Universiteit Utrecht, School of Economics (U.S.E.);
  • Dr. Mirre Stallen, onderzoeker bij Lectoraat Armoede Interventies, Hogeschool Amsterdam & universitair docent Psychologie, Universiteit Leiden, incl. Q&A.

 

Mary Collins[2]

Mary Collins legt uit, dat de European Women’s Lobby (EWL), de grootste coalitie voor vrouwenrechten in Europa is. De Nederlandse VrouwenRaad is één van de leden. De EWL is nog steeds nodig omdat er niet één enkel land is waar de gelijke behandeling van mannen en vrouwen realiteit is. Europa scoort plaats 66 van de 100 in de gendergelijkheidsindex. We hebben nog steeds een loonkloof van gemiddeld 16% tussen de seksen en een pensioenkloof tussen mannen en vrouwen van 40%. Europese wetten worden geïmplementeerd op nationaal niveau waardoor verschillen in wetgeving nog steeds aan de orde van de dag zijn. We moeten samenwerken in Europa om iets te veranderen, vrouwenstemmen moeten op Europees niveau gehoord worden.

Samen voor een feministisch Europa. Een universeel basisinkomen: voor- of achteruitgang?

De missie van de EWL is gelijkheid voor alle vrouwen, geen enkele vrouw wordt uitgesloten. Er zijn uitdagingen en bedreigingen, die aan de kaak gesteld moeten worden, zoals de mythe dat “gelijkwaardigheid er al is”. Vrouwen worden hierdoor onzichtbaar. Ook is er sprake van een terugslag in landen: Europees beleid wordt niet omgezet in verbeteringen door een gebrek aan politieke wil. Financiële bezuinigingen vormen een bedreiging voor het voortbestaan van vrouwenorganisaties. Dat heeft gevolgen voor de rechten van vrouwen. We moeten ervoor zorgen dat bij economisch en ander beleid de belangen van vrouwen gewaarborgd zijn. Binnen het populisme en extremisme worden de rechten van vrouwen ingeperkt. Stereotypen zijn nog steeds heel reëel.

Er zijn echter ook positieve ontwikkelingen en kansen. Vrouwen en meisjes in Europa zijn nu aanwezig in alle geledingen van de samenleving: in onderwijs en betaald werk, in politieke- en zakelijke besluitvorming, ze geven hun visie als kunstenaars, journalisten, onderzoekers of gemeenschapsleiders. Dit zijn echte verworvenheden. Helaas vormen hiërarchische verhoudingen nog steeds een probleem. Daarnaast is een nieuwe generatie jonge feministen bezig zich op brede schaal te mobiliseren. Sommige mannen doen ook mee aan de feministische beweging. Feministische economen dagen het systeem, waar we nu in leven, uit door nieuwe methoden voor het bepalen van welzijn voor te stellen.

Wat is een universeel basisinkomen?

“Een onvoorwaardelijk inkomen betaald door een overheid aan elke burger of permanente inwoner van de wieg tot het graf, waarvan het niveau alleen varieert naar gelang van de leeftijd”, het citaat is uit deze paper, geschreven door Julieta Magdalena Elgarte (Nationale Universiteit de la Plata Argentinië – Katholieke Universiteit Leuven, België).

Waarom wordt er tegenwoordig over een universeel basisinkomen gesproken, terwijl het toch geen nieuw onderwerp is? Eén van de redenen is dat de aard van het werk verandert, er ontstaat een ‘liquide’ arbeidsmarkt waar het steeds moeilijker is om rechten op te bouwen op het gebied van sociale bescherming (zoals ziekte- en werkloosheidsuitkeringen, pensioenrechten). Er is druk op de verzorgingsstaten. Om de sociale zekerheid is hard gevochten. Nu is er het besef dat als we op deze weg doorgaan het systeem langzaam doodbloedt. Dit doet de vraag rijzen: zal er genoeg werk zijn voor iedereen? Welke plaats neemt werk in? Het is een populair onderwerp binnen denktanks en politieke fora. In al deze debatten ontbreekt echter het genderperspectief!

Het universeel basisinkomen zal tot een verstoring van het systeem leiden. Aan de andere kant krijgen we meer keuzes, bijvoorbeeld door op een andere manier bij te dragen aan de samenleving. Nu komt de belofte van meer keuzevrijheid niet verder dan het papier, waar het op geschreven is. Statistieken gaan allemaal uit van een huishouden als basiseenheid. We kunnen echter niet voetstoots aannemen, dat binnen het gezin man en vrouw gelijke rechten en plichten hebben. Die veronderstelling wordt wel gemaakt. Het is noodzakelijk om van dit automatisme af te stappen en ‘huishoudens’ te individualiseren.

Binnen de feministische beweging is geen consensus over een universeel basisinkomen.

De feministische analyse – die voor een UBI is – zegt, dat een universeel basisinkomen zorgt voor een herverdeling en afzwakking van de waarde die binnen gezinnen gehecht wordt aan betaald werk. Het draait allemaal om zorg. Mannen en vrouwen kunnen makkelijker parttime gaan werken door toegenomen financiële draagkracht. Het is een kans voor mannen om in deeltijd te werken en meer zorgtaken op zich te nemen. Het UBI zal de economische zelfstandigheid en gelijkwaardigheid verhogen. Het biedt de mogelijkheid om te ontsnappen aan ongewenste of gewelddadige relaties, waardoor het gendergerelateerd geweld zal afnemen.

FEMTalks Veel landen kennen geen geïndividualiseerde rechten in het sociale zekerheidsstelsel. Vrouwen blijven afhankelijk van echtgenoot, partner of de staat. Dit zal met een universeel basisinkomen veranderen en zal daarmee de huidige werkloosheids- en armoedevallen oplossen, die nu verankerd zijn in het systeem. Bovendien kan de publieke controle, die de levens van uitkeringsgerechtigden negatief beïnvloedt, verdwijnen. De voorwaardelijkheid, die zo kenmerkend is voor de huidige regelingen en die zoveel invloed heeft op privélevens, zal verdwijnen.

De feministische analyse – die kritisch staat ten opzichte van het universeel basisinkomen – denkt dat vrouwen weer thuis gaan zitten. De onvoorwaardelijke contante betalingen zullen ertoe leiden dat vrouwen zich weer gaan toeleggen op huishoudelijke verzorging, wat een daling van de arbeidsparticipatie van vrouwen tot gevolg zal hebben en verbanning naar de privésfeer. Overal zal de participatie van vrouwen schade oplopen en alles wat bereikt is wordt teruggedraaid. De grootste kloof tussen de geslachten zal te voelen zijn op het gebied van de tijdsbesteding. Mannen nemen niet meer zorgtaken op zich, nee, zij zullen hun extra tijd voor ontspanningsactiviteiten gebruiken.

Het universele karakter houdt geen rekening met het feit, dat er ook andere behoeften zijn. Hoe kan je omzien naar specifieke groepen in tijden van nood als je vastzit in een universeel systeem? Er zijn specifieke problemen die om specifieke maatregelen vragen. Een universeel basisinkomen zal dit verhinderen. Haalbaarheid zou de ontmanteling van de huidige welvaartsstaat betekenen op een wijze die geen rekening houdt met de verschillen tussen man en vrouw. De bestaande systemen zijn niet universeel, ze werken binnen de verzorgingsstaat. Als je werkelijk een echt universeel basisinkomen wilt, moet je het socialezekerheidsstelsel ontmantelen. Dit zal eerder leiden tot een toename dan een afname van de armoede. Onderzoek laat zien dat de armoede na de invoering van een universeel basisinkomen hoger zal zijn. Voor zover Mary Collins weet is er nooit een berekening van de kosten geweest.

Er wordt te veel waarde gehecht aan de conclusies, die we kunnen trekken uit het kleine aantal proefprojecten, waarvan geen enkele een echt universeel basisinkomen was. We moeten het in verhouding zien tot andere factoren. Het debat wordt gedomineerd door neoliberale denktanks en een klein aantal academici. Het is grotendeels een discours waarin geen oog is voor de ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen, waarin ook geen plaats is voor economisch handelen vanuit feministisch perspectief. Feministische economie wordt domweg niet erkend. Het eind van het liedje zal zijn dat de verzorgingsstaat teloor is gegaan. Kunnen de sociale systemen een antwoord geven op de problemen van deze tijd?

Waar staan we nu met het debat?

FEMTalks

Feminist economics is the critical study of economics including its methodology, epistemology, history and empirical research, attempting to overcome male and patriarchal biases.

Wat moeten we doen? Samenwerken met feministische economen en feministische voorstanders om criteria te ontwikkelen voor een feministisch universeel basisinkomen. We moeten gaan nadenken over mogelijkheden en onmogelijkheden. We moeten kijken naar de experimenten die al gedaan of nog gaande zijn. Het is nu nog te vroeg om iets te zeggen over het Finse experiment. Zullen vrouwen weer het huis ingejaagd worden? De conclusie van het experiment in de VS was dat de arbeidsparticipatie daalde en de echtscheidingspercentages toenamen. In Nederland worden regionale experimenten uitgevoerd zoals die in Utrecht, maar de regering is zeer onwillig om regels op nationaal niveau aan te passen waardoor de opzet en uitvoering van de proefprojecten niet zo soepel kan verlopen als wenselijk zou zijn. En dan is er het Finse experiment.

Tussen de feministische voor- en tegenstanders van een UBI wordt een levendig debat gevoerd. Beide partijen hebben legitieme argumenten. We hebben deze discussie nodig om een feministisch perspectief te ontwikkelen. Het UBI is geen nieuwkomer, wat wel nieuw is, is de behoefte om bij alle relevante acties het aspect van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen mee te nemen.

Discussie

  • In Nederland heeft men berekend wat het kost om een universeel basisinkomen te realiseren. Bij de berekening kan je uitgaan van verschillende keuzes, bijvoorbeeld economisch en/of feministisch. De Vereniging Basisinkomen heeft berekeningen op de website staan waar deze keuzes en hun effecten te zien zijn.
    Mary Collins: We kunnen geen maatschappelijke discussie over dit onderwerp hebben zonder een feministisch perspectief. Het UBI mag geen onderwerp zijn waarbij de gelijkheid tussen de seksen een marginale plaats inneemt, een onderwerp dat je er aan het einde van het debat even aan vastrommelt. De hoofdstroom is ‘business as usual’. We moeten aan die grenzen blijven rammelen. Nu hebben we dit debat met betrekking tot een universeel basisinkomen niet, nogmaals het feministisch perspectief moet erbij betrokken worden. Dit is een patriarchaal systeem, het debat zal niet op onze voorwaarden gevoerd worden, als wij het niet afdwingen.

 

Loek Groot[3]

Mary Collins heeft duidelijk het perspectief van de vrouwenbeweging laten zien. Volgens Groot gaan vrouwen er bij de invoering van een universeel basisinkomen als groep op vooruit mits de welvaartsstaat niet wordt afgeschaft. Een mogelijk effect is dat het arbeidsaanbod onder vrouwen daalt. Dit zijn heikele punten voor de vrouwenbeweging en bepaalt of ze een UBI wel of niet zullen ondersteunen.

Basisinkomen en arbeidsaanbod

Het universele basisinkomen en de negatieve inkomstenbelasting zijn qua effect eigenlijk hetzelfde. Het enige verschil is dat bij de negatieve inkomstenbelasting het basisinkomen, dat je ontvangt, wordt gesaldeerd met de hoogte van de belasting van je inkomen. Salderen is het saldo basisinkomen vereffenen met de belasting die je betaald. Een negatieve inkomstenbelasting wil zeggen dat mensen met geen of een laag inkomen financieel een vorm van compenserende uitbetaling krijgen door de belastingdienst. Mensen die niet weten of ze inkomen hebben kiezen meestal voor een universeel basisinkomen, omdat ze dan een bepaald bedrag maandelijks als inkomen hebben. Mensen met inkomen kiezen meestal voor de negatieve inkomstenbelasting omdat ze al inkomen hebben.
Uit onderzoek in de periode van 1970 tot 2000 blijkt dat hoe hoger de werkloosheid, hoe vaker het universeel basisinkomen wordt genoemd, hoe meer aandacht er is voor het UBI en hoe meer er over wordt gediscussieerd.
De nadelen van het universeel basisinkomen zijn een verhoging van de belastingvoet en een lager arbeidsaanbod. Verder is er ‘het bezwaar van parasitisme’, dat mensen geld krijgen en er niets voor terug doen voor de samenleving.
De voordelen van het universeel basisinkomen: Compenserende rechtvaardigheid, geen armoedeval, geen noodzaak wettelijk minimumloon, geen stigma bij inkomensondersteuning en minder bureaucratie.

Groot citeert Philippe Van Parijs (1992, 3):

… het is gerechtvaardigd, dat bewijst een groot aantal argumenten. Vrijheid en gelijkheid, efficiëntie en gemeenschap, gemeenschappelijk eigendom van de aarde en gelijk delen in de opbrengsten van de technische vooruitgang, flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de waardigheid van de armen, de strijd tegen werkloosheid en onmenselijke arbeidsomstandigheden, tegen de verwoestijning van het platteland en ongelijkheden tussen regio’s, de levensvatbaarheid van coöperaties en de promotie van volwassenenonderwijs, onafhankelijkheid van bazen, echtgenoten en bureaucraten.

Uitkeringsgerechtigden harder aanpakken werkt door naar de onderkant van de samenleving. De onderhandelingsruimte van werknemers neemt hierdoor af en dus kunnen werkgevers slechte arbeidsvoorwaarden bedingen. Een sterk voorbeeld van dit werkgeversgedrag zijn de VS. Werknemers moeten hier wel akkoord gaan met wat werkgevers voorstellen, want er is geen alternatief. ‘parasitisme’ is dus eigenlijk heel nuttig. Als werkgevers weten dat werknemers kunnen terugvallen op een inkomen, hebben werknemers onderhandelingsmacht. Bij een fatsoenlijk universeel basisinkomen hoeft men zich minder zorgen te maken om slechte werkomstandigheden en uitbuiting.

Enkele voor- en nadelen

De vrijheid van vrouwen om hun leven in te richten zoals ze dat zelf willen, zal beter worden. Waarom dan die aarzelingen bij de vrouwenbeweging? Als je het basisinkomen invoert is het probleem dat het arbeidsaanbod, de mate waarin vrouwen betaald werk doen, minder wordt. Het Centraal Planbureau (CPB) komt ook tot deze conclusie.
In 2006 heeft het CPB een simulatie gedaan: Er is een basisinkomen maar alle andere uitgaven van de overheid blijven. Dus alle bovenminimale uitkeringen blijven, zoals WIA, WW, etc. Het UBI is haalbaar. Er zijn genoeg mensen die nog steeds willen werken. Op vakantie gaan of een huis kopen is namelijk niet haalbaar met alleen een basisinkomen. De arbeidsparticipatie van vrouwen daalt 10% en in huishoudens met twee verdieners 8.8%. In de simulatie van het Centraal Planbureau in 2015 is het basisinkomen ook haalbaar. Er is te zien dat de arbeidsparticipatie van met name vrouwen in samenwonende stellen waarvan het jongste kind onder de 17 is, met 17.63% omlaag gaat. (Zie hier de beleidsbrief uit 2015).

Vanuit het huidige stelsel hebben veel vrouwen geen recht op een uitkering, zij hebben een werkende partner. Als zij gaan werken hebben ze allerlei heffingskortingen. Zodra ze boven dat bedrag uitkomen gaan ze het eerste tarief betalen voor de loonbelasting. Er zijn ook veel vrouwen, die wel een uitkering of bijstand hebben. Als ze een kleine baan vinden en ze verdienen bruto een klein bedrag dan worden ze er netto niet beter op. Pas als ze bruto een bepaald bedrag verdienen houden ze netto meer over en komen ze uit de bijstand. Bij een basisinkomen stijgt je inkomen minder en van elke 100 euro houdt je er 44 over. Dat basisinkomen krijg je altijd, als je dan minder gaat werken, bijvoorbeeld van 4 naar 3 dagen gaat, verlies je alleen maar ¼ van wat je boven het basisinkomen krijgt. Onder het basisinkomen wordt parttime werken veel aantrekkelijker. Het inkomen wordt belast tegen 56%. In het huidige stelsel is de prikkel om te gaan werken veel sterker dan bij het basisinkomen. Daarom komt uit de simulaties naar voren dat de arbeidsparticipatie dan daalt. De inkomens ongelijkheid neemt af met 7.95%. Voor de inkomens gelijkheid is het dus goed. Het is een mixed case.

Discussie

  • Uit de situaties met een universeel basisinkomen begrijp ik dat vrouwen minder geneigd zijn om te werken, dat blijkt vooral uit de groep vrouwen met jonge kinderen. Het gevaar bestaat dat ze voor de kinderen thuis blijven en er daarna niet meer tussen komen in het arbeidsproces?
    Loek Groot: Probleem van de simulaties van het Centraal Planbureau is dat ze tot doel hebben de arbeidsparticipatie te verhogen. Als je tot doel hebt om de welvaart te maximaliseren, dan komt er een heel ander plaatje uit.
  • Aanvulling: in de discussie moet men er voor waken dat de discussie over het universeel basisinkomen niet alleen een financiële discussie is. We moeten vooral ook kijken naar de opbrengst op andere vlakken. Bijvoorbeeld dat mannen het makkelijker zouden kunnen vinden om minder te gaan werken en dan ook meer te gaan zorgen. Dat is een meerwaarde van het basisinkomen. Loek Groot: Eens.
  • Vraag: welke aanvullende maatregelen moeten we nemen om het UBI ook aantrekkelijk te maken voor de vrouwenbeweging? Ouderschapsverlof is zo’n prikkel. Zodra de man een band heeft met het kind wil hij daarna ook niet meer fulltime werken

 

Mirre Stallen[4]

Mirre wil vertellen over de effecten van armoede op het gedrag en de psychologische ontwikkeling van het kind. En daarbij wil ze het kort hebben over nieuwe theorieën over de invloed van armoede bij volwassenen en kinderen.

Armoede en het (kinder)brein

Recent is er steeds meer kennis naar voren gekomen, die laat zien dat armoede een contextuele factor is. In de context van armoede is het een hele belangrijke factor of je arm blijft of niet. De ‘armoedeval’ (poverty trap) is moeilijk om uit te komen. Een bestaan in armoede lijdt tot veel stress. Je neemt andere beslissingen als je in behoeftige omstandigheden leeft. Je verwachtingen beperken zich tot het hier en nu. Als je mensen in armoede een universeel basisinkomen verschaft, neem je een deel van de stress weg. Wat weten we nu in de psychologie over de invloed van armoede op het gedrag?

FEMTalks Het boek Scarcity, why having too little means so much [Schaarste, waarom weinig hebben veel doet] van Sendhil Mullainathan en Eldar Shafir is een bekend basisboek in de wereld van de schuldhulpverlening. Dit boek brengt goed onder woorden wat de hulpverleners daar zien. Stress leidt tot een tunnelvisie, je bent gefocust op een probleem in het hier en nu. Je hebt weinig capaciteit om beslissingen te nemen op de lange termijn, je bent minder goed in plannen of het reguleren van emoties. Financiële problemen nemen veel mentale capaciteit van mensen in beslag.

Zijn beslissingen die men maakt gecorreleerd aan het inkomen? Ja. Er zijn experimenten gedaan waaruit deze conclusie kan worden getrokken. Bij deze experimenten werd vooraf aan de proefpersonen gevraagd wat hun inkomen was waarna er een psychologische test werd gedaan. Vooraf aan de test werd de situatie geschetst dat de auto van de persoon kapot was en er was geld nodig voor reparatie. Bij de ene groep koste de reparatie $150,- en bij de andere groep $1500,-. Daarna volgde de vragenlijst. Aan het einde van de vragenlijst werd aan de persoon gevraagd wat hij ging doen met de auto, repareren of niet? Er werd hierbij nagegaan hoe goed mensen de taken die ze kregen bij de test deden. Het kleine financiële probleem ($150,-) had geen effect op de prestatie. Bij het grote financiële probleem ($1500) presteerden mensen met een laag inkomen slechter. Arm zijn en moeten nadenken over financiële problemen vermindert de cognitieve prestaties, er gebeurt iets.

Opgroeien in armoede betekent veel. Kinderen presteren over het algemeen slechter op school. Ze hebben meer moeite met concentreren en vinden het vaak lastiger om hun emoties te beheersen. Er zijn vaker depressieve gevoelens.
Beïnvloedt armoede de ontwikkeling van de hersenen? Dat wordt nu onderzocht. In het onderzoek wordt onder meer gekeken naar de structuur van de hersenen van kinderen met een hoge sociale economische status en lage economische status (SES). In dit onderzoek wordt ook een hersenscan gemaakt. Hoe meer grijze stof hoe beter. Hoe ouder het kind wordt, hoe groter het verschil in de hoeveelheid grijze stof tussen de twee groepen kinderen. Kinderen die opgroeien in hoge SES hebben gemiddeld meer grijze stof. Dit hoeft misschien niets te betekenen want hersenen blijven zich ontwikkelen ook als kinderen ouder worden.
Kinderen die in armoede opgroeien hebben een kleinere hippocampus. De hippocampus is betrokken bij geheugenprocessen en speelt een belangrijke rol bij het leren. Het gebied van de hippocampus is aanzienlijk kleiner bij kinderen met lage SES. Er waren vooral grote effecten te zien van situaties waarbij kinderen ook weinig aandacht kregen van de ouders en er bijvoorbeeld veel stress was in het gezin, nu of in verleden. Belangrijk argument voor het universeel basisinkomen is dat het een positief effect kan hebben op het gezin door vermindering van stress waardoor ouders meer aandacht kunnen geven aan de kinderen. In dierstudie is het effect van aandacht al eerder aangetoond.

In haar conclusie benadrukt Mirre hoe serieus de effecten van armoede zijn en geeft zij aanwijzingen voor interventies. Hoe langdurig de effecten zijn van armoede op de ontwikkeling van kinderen wordt nog verder onderzocht, omdat hersenen zich ontwikkelen gedurende de hele levensloop en dit onderzoek dus lange tijd vraagt.

Discussie

  • FEMTalks Denk ook aan de amygdala, deze ligt diep in het brein en is betrokken bij emoties. Studies wijzen uit dat als kinderen opgroeien in armoede ze een overactieve amygdala hebben. En ook dat de amygdala verandert. Zij hebben altijd angst voor schaarste: niet erkenning is een schaarste, etc.
  • Verbaast over correlatie over armoede en gebrek aan aandacht. Te kort aan aandacht kan ook voorkomen bij hele rijke gezinnen. Mirre: Dat is in deze studie niet onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het hippocampus kleiner is bij kinderen die in armoede leven.
  • Zijn er erfelijkheidsfactoren? Wordt dat hier in meegenomen? Doet dat er toe? Mirre: Je kan zulke effecten nooit uitsluiten. In deze studies is over het algemeen niet naar genetica gekeken. Het speelt zeker mee. Veel mensen met schulden hebben een licht verstandelijke beperking. Je kan het niet uitsluiten, maar ze hebben niet gekeken of er hier nog een relatie mee is.
  • Je kan het dus niet kwantificeren? Mirre: Nee. Ligt ook aan de persoon zelf. Het idee van controle. Als je het gevoel hebt controle te hebben over de situatie dan gaat het beter.

 

Discussietafels

Na de sprekers gingen de deelnemers uitéén in drie discussietafels met elk een eigen thema:

◊ Tafel 1. Gemeentelijke uitvoering, rol van de overheid. Onder leiding van Hans Zuidema, projectleider Vertrouwen Werkt, gemeente Wageningen;[5]
◊ Tafel 2. Armoede en gekanteld denken. Onder leiding van Quinta Ansem, voorzitter EAPN NL, docent en onderzoeker aan de Hogeschool Windesheim Flevoland;
◊ Tafel 3. Gender en de rol van mannen bij de zorg en opvoeding. Onder leiding van Jan Reijnders, specialist internationale samenwerking & gender, en afgevaardigde MenEngage.

Tafel 1. Gemeentelijke uitvoering, rol van de overheid, met Hans Zuidema.
De groep voerde een rondetafelgesprek met behulp van vragen over het universeel basisinkomen:
• Wat pleit er voor?
• Wat pleit er tegen?
• Wat zien we nu als vraag- of knelpunten?
• Op welke manier gaan we verder?
Wat zijn nu de belangrijkste voordelen: autonomie; meer rust en meer tijd; zelfstandigheid. Men vraagt zich af of er niet tegelijkertijd veronderstellingen vanuit onze eigen ‘utopische’ maatschappijvisie insluipen, die het UBI te positief voorstellen.[8]
Nadelen zijn vooral de onbedoelde negatieve inkomenseffecten. Het verhogen van de belastingdruk is voor sommigen ook een punt. Willen we dat met elkaar? Men maakt zich zorgen over effecten die kunnen optreden als vrouwen door het universeel basisinkomen meer in onbetaalde banen en zorg terecht komen. Er blijven vragen en knelpunten: zijn er wellicht (op deze middag niet-genoemde) kosten die gaan dalen, wat zijn de gevolgen voor ziekte en gezondheid? Hoe zorg je ervoor dat de verworvenheden van de welvaartsstaat niet verloren gaan?
Er moeten keuzes gemaakt worden, welke? Wat zijn de gevolgen van een UBI op ouderschapsverlof. Aanvullende gegevens zijn nodig.

Tafel 2. Armoede en gekanteld denken, met Quinta Ansem.
De focus bij deze tafel was gericht op armoede. Gaat het UBI een oplossing bieden voor de schaarste en de armoede? Het universeel basisinkomen gaat het systeem niet veranderen. We hebben het over een bestaand systeem dat mensen klein houdt en belemmerd. Als het universeel basisinkomen er in slaagt om mensen, die nu financieel afhankelijk zijn, meer ruimte te geven om creatief te zijn en hun eigen leven vorm te geven, is dat al een stap in de goede richting.
Wat nodig is, is een herdefiniëring van werk. Wat is werk? Wat is het doel, wat willen we bereiken? Alleen maar financiële onafhankelijkheid of ook sociale gezondheid? Het gaat ook om de achterliggende waarden. Hoe kan het UBI hier – wel of niet – ondersteuning aan bieden?
Hoe gaat de koppeling met bestaande regelingen eruit zien? Hoe zit het met de pensioenen, studenten, etc. Hoe voorkomen we dat het sociale systeem niet nog slechter wordt. Zorg voor kansen. Moeten we het UBI in één keer invoeren voor iedereen of juist kleinschalig en dan langzaam en zorgvuldig uitbreiden? Systemisch. We hebben het steeds over sociaal kwetsbare mensen. Onder de ‘juiste’ omstandigheden kan iedereen kwetsbaar worden. Waarom spreken we niet van mensen die in een sociaal kwetsbare positie terecht zijn gekomen. Hoe gebruiken we onze woorden? Dat is belangrijk.

Tafel 3. Gender en de rol van mannen bij de zorg en opvoeding, met Jan Reynders.
FEMTalksDe discussie in deze groep richt zich op het basisinkomen en de combinatie en rol van mannen en vaders in opvoeding. Mannen moeten meer zorgen. Belangrijk punt daarbij is hoe jongens en meisjes worden opgevoed. Ook daar moet aandacht zijn voor zorgtaken. Wat betreft vrijwilligerswerk en onbetaald werk en het basisinkomen: veel werk wordt door vrouwen gedaan onder het mom van vrijwilligerswerk. Eigenlijk zou dat gewoon betaald moeten worden. Er is ten aanzien van de rollen van beide groepen veel stereotypering. Zowel de vrouw als de man zouden zelf actief moeten meewerken aan de bestrijding van vooroordelen. We moeten tegen stereotypen ingaan, maar dat is niet het enige, ook het systeem moet veranderen. Een goed voorbeeld is het boek van Joke Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen, in feite staat alles daar in, we adviseren iedereen aan om het te lezen.
De vraag om een universeel basisinkomen blijft natuurlijk problematisch. Het gaat niet alleen om financiën, maar ook om de bevrediging van werk. We moeten niet alleen kijken met een economische blik. Het universeel basisinkomen is ook geschikt als gedachte-experiment om het systeem te veranderen. Dat hoeft niet per se met het basisinkomen, het is ook een denkrichting om dingen aan het rollen te brengen. Niet alleen een basisinkomen is nodig, je zal ook de genderongelijkheid moeten aanpakken en de stereotypering. Ook kijken naar hoe men zelf is opgevoed. Als je in je opvoeding hebt meegekregen dat jouw enige weg, die van de kostwinner is en je bent of kunt dat niet zijn, dan gaat het fout. Een universeel basisinkomen alleen is niet genoeg, er zal veel meer moeten veranderen. Als iedereen een basisinkomen heeft, hoeft niemand afhankelijk te zijn.

Conclusies en aandachtspunten

a. Discussies over het universeel basisinkomen vinden plaats in een neoliberale context waarbij overheden het universeel basisinkomen inzetten als middel om de omvang van de bureaucratie te reduceren. Dat wat vaak een universeel basisinkomen wordt genoemd, is dat feitelijk niet. In veel landen, ook in Nederland, betreft het pilots om te komen tot ‘een regelluwe uitvoering van de bijstandswet’, met andere woorden (nationale) overheden grijpen het thema aan om de bureaucratie, die nodig is voor de uitvoering van onder andere de bijstandswet – en het woud aan toeslagen (motivatie Finland) – te reduceren. Als dat als resultaat heeft dat ontvangers van deze solidariteitsoverdracht zich prettiger voelen en (wat) minder stress ervaren is dat mooi meegenomen;

b. Een universeel basisinkomen houdt in dat iedereen een gelijk bedrag aan geld ontvangt. Als iemand meer inkomsten wenst om bijvoorbeeld een dure auto, vakantie of groot huis aan te schaffen, dan vereist dat extra arbeid. Over deze extra inkomsten moet een relatief hoog belastingtarief berekend worden: ca. 56%. Dit betekent dat het huidige systeem volledig op de schop moet als het universeel basisinkomen daadwerkelijk wordt ingevoerd. Volgens berekeningsmodellen van onder andere het CPB zou het vooralsnog betekenen dat met name (parttime werkende) vrouwen zich terugtrekken van de arbeidsmarkt;

c. Een universeel basisinkomen zou waarschijnlijk in ieder land een andere hoogte moeten hebben, omdat de kosten voor levensonderhoud in ieder land anders zijn. Bijvoorbeeld deelnemers aan de Finse pilot ontvangen 560 euro per maand, een bedrag waarvan men in Finland goed in zijn levensonderhoud kan voorzien, maar niet in bijvoorbeeld België of Nederland;

d. De belangstelling voor een universeel basisinkomen neemt toe in tijden van (langdurige) economische recessie. In de huidige tijd speelt bovendien mee dat zekerheden voor werkenden steeds verder worden ingeperkt, denk aan flexibilisering van de arbeidsmarkt, korte(re) arbeidscontracten, slechtere arbeidsvoorwaarden;

e. In de discussies ontbreekt het genderperspectief, met andere woorden: wat betekent een bepaalde maatregel voor mannen en wat betekent diezelfde maatregel voor vrouwen? En hoe worden eventuele (forse) ongelijkheden die het resultaat van de voorgestelde maatregel zijn, gecompenseerd?

f. De huidige pilots vinden plaats in landen in Noord-West Europa. In het maatschappelijk middenveld in verschillende Oosteuropese landen bestaat veel belangstelling voor het universeel basisinkomen;

g. Er is geen Europees breed onderzoek naar een UBI, alleen pilots in individuele landen en steden, bijvoorbeeld in Nederland, Bremen (Duitsland), Glasgow in Schotland;[9]
FEMTalks

h. Uit de eerste gesprekken met cliënten van sociale zaken en werkgelegenheid in de vier Nederlandse pilotsteden (Groningen, Wageningen, Tilburg en Utrecht – ingesteld via een Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), blijkt dat deze mannen en vrouwen het feit alleen al dat ze persoonlijk worden benaderd, op een menselijke manier, en er naar hun wensen wordt gevraagd, zeer op prijs stellen en zij zich daardoor alleen al beter voelen;

i. Een universeel basisinkomen kan eraan bijdragen dat mannen meer bij zorgtaken & opvoeding worden betrokken maar aanvullende maatregelen zijn ook dan nodig; een universeel basisinkomen kan bijdragen aan meer rust voor mensen in armoede, zoals financieel kwetsbare vrouwen. Doordat er rust ontstaat op het financiële front zullen ze in staat zijn betere keuzes te maken.

Het universeel basisinkomen is een populair onderwerp met veel verschillende facetten!

Verslag gemaakt door Roséanne Timmer-Aukes, communicatiemedewerker NVR. Met ondersteuning van Marijke Jongbloed, vice voorzitter NVR en Marion Minis, co-organisator FEMTalks, commissie BB.

Groepsfoto van alle aanwezigen bij FEMTalks; de deelnemers hebben toestemming gegeven om hun foto’s te gebruiken.

Bewerkt en vertaald door Florie Barnhoorn, 31 juli 2018.

 


FEMTalks

Sandro Botticelli’s The Birth of Venus (circa 1485)

 

1. FEMTalks NL is een serie bijeenkomsten van de Nederlandse VrouwenRaad rondom facetten van een gender-inclusieve economie om te komen tot een andere visie op de economie als alternatief voor het huidige marktmodel. De eerste FEMTalks NL was op 24 mei 2017. De serie wordt afgesloten met een conferentie. Deze FEMTalks werd georganiseerd in het kader van de Alliantie Samen werkt het!; een samenwerkingsverband van WOMEN Inc., Movisie, WO=MEN, Proefprocessenfonds Clara Wichmann en de Nederlandse VrouwenRaad. De FEMTalks was het startschot voor een reeks regionale FEMTalks, die de NVR in het kader van deze alliantie zal begeleiden. NVR ontwikkelt daartoe een toolbox waarmee lidorganisaties van de NVR ook FEMTalks in hun eigen regio kunnen organiseren. Deelnemers aan deze FEMTalks ontvingen een map met achtergrondinformatie over de sprekers en het onderwerp.↩

2. Mary Collins is een expert op het gebied van economisch en sociaal beleid en coördineert de belangenbehartiging. Voordat ze zich in 1995 aansloot bij de European Women’s Lobby (EWL), werkte Mary op het gebied van de kinderbescherming voor de Health Authority in Ierland en voor de European Federation of Organisations working with the Homeless (FEANTSA) in Brussel. Mary coördineerde de voorbereiding en actieve deelname van de EWL aan de Vierde Wereld Conferentie voor Vrouwen (Beijing, 1995) en leidde het ‘Beijing Platform for Action’. Gedurende de afgelopen 15 jaar was Mary betrokken bij diverse thema’s, zoals ‘Geweld tegen vrouwen’, het Europese asiel- en mensenrechtenbeleid, de EU Strategie voor de Rechten van het Kind en de VN conventie voor Disabled Persons.↩

3. Loek Groot is econoom en filosoof en werkzaam als universitair hoofddocent Economie van de publieke sector aan de Utrecht University School of Economics (U.S.E.). Zijn onderzoek richt zich op de interactie tussen sociale zekerheidsarrangementen en de arbeidsmarkt, met speciale aandacht voor het voorstel van een basisinkomen of negatieve inkomstenbelasting. Hij promoveerde in 1999 cum laude op het proefschrift: “Basic Income and Unemployment”. Andere onderzoeksinteresses liggen op het terrein van milieu-economie, sporteconomie en politieke filosofie.↩

4. Mirre Stallen is senior onderzoeker bij het lectoraat Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam en universitair docent aan de Universiteit Leiden. Zij doet onderzoek naar de psychologische processen die ten grondslag liggen aan gedrag. Centraal in haar werk staat het verbinden van wetenschap en praktijk. In haar onderzoek combineert zij methoden uit verschillende disciplines, waaronder de neurowetenschappen, psychologie en economie. Mirre is cum laude afgestudeerd in de Cognitieve Wetenschappen aan de UvA en gepromoveerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (2013). Zij was als doctoraal onderzoeker verbonden aan Stanford University in de Verenigde Staten (2015-17).↩

5. Hans Zuidema, gespreksleider tafel 1. Gemeentelijke uitvoering, rol van overheid. Hans Zuidema is consultant bij ZO! – organisatieadvies. Hij werkt in opdracht van verschillende gemeenten als zelfstandig adviseur, projectleider en interimmanager. Voor de gemeente Wageningen is hij projectleider van Vertrouwen Werkt. Wageningen is één van de experimenteergemeenten in het kader van de Participatiewet. Er wordt onderzocht of werken vanuit vertrouwen en een andere bejegening van mensen in de bijstand tot betere resultaten leidt. Dit op uitstroom naar werk, op parttime werk, maatschappelijke participatie en op welzijn, gezondheid en welbevinden. Mensen krijgen de ruimte hun eigen weg richting werk of participatie te kiezen, krijgen meer persoonlijke maatwerk begeleiding en houden meer over van bijverdienen in de bijstand. Meer over het onderzoek lezen op www.wageningen.nl/vertrouwenwerkt.↩

6. Quinta Ansem is voorzitter van de Nederlandse afdeling van het European Anti Poverty Network (EAPN NL) dat rapporteert en overlegt op structurele basis met het ministerie van Sociale Zaken. Het EAPN is een Europese koepel dat deelneemt aan het EMIN netwerk (European Minimum Income Network, gefinancierd door de Europese Commissie). Zij is tevens docent, onderzoeker en trainer aan de hogeschool Windesheim Flevoland, voor de WMO werkplaats – Lectoraat Zorg en Welzijn. Focus ligt op het daadwerkelijk realiseren van de Kanteling bij voornamelijk de Sociale Wijkteams. Zij is initiatiefnemer van ‘ONS KantelHuis’ (i.o.) van Stichting Herkansing, een dynamische community te creëren voor sociaal kwetsbare mensen. Een time out plek met een deel vaste bewoners en een deel tijdelijke bewoners, dat wil zeggen sociaal kwetsbaren. Donaties zijn welkom: Stichting Herkansing, rek.nr. NL 93 INGB 0000 7737 64 o.v.v. ONS KantelHuis.↩

7. Jan Reynders is gespecialiseerd in internationale samenwerking & gender en werkte o.a. voor Hivos in Azië, Afrika, het Midden-Oosten en Europa. Zijn focus ligt op de genderdimensie van socio-economische ontwikkelingen, conflict preventie, geweld tegen vrouwen, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRHR) en preventie HIV/aids. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar de rol van jongens en mannen, en naar machtsmisbruik in relaties. Bestuurlijk is hij betrokken bij de ‘Gender and Water Alliance’ (GWA) en het landelijke gender platform WO=MEN – waar hij mede initiatiefnemer was voor de mannen werkgroep ‘de keukentafel’. Verder is hij lid van de stuurgroep MenEngage Europe, welke deel uitmaakt van het wereldwijde MenEngage network.↩

8. Noot van de webredacteur: voor meer informatie, zie bijvoorbeeld het artikel Een beleidstheorie voor het basisinkomen.↩

9. Er is in 2016 wel een Europa brede enquête gehouden waaruit bleek dat een meerderheid van de Europese bevolking het basisinkomen kent en het idee ondersteunt. Zie ook afbeelding in dit verslag (noot van mij, FB).↩

Verder lezen:
∴ Binnenlands Bestuur – Groen licht voor bijstandsexperimenten
∴ VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) – Regelluwe bijstand proberen, iets voor uw gemeente?
∴ Socrates Schouten – Babystapjes naar een basisinkomen

Het bericht Verslag FEMTalks 2018 Nederlandse VrouwenRaad verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

De woonbijdrage als hulpmiddel om de financiering van basisinkomen dichterbij te brengen

Een woonbijdrage per adres naast een individueel basisinkomen maakt de betaalbaarheid van het basisinkomen groter. Maar het is een inbreuk op het kenmerk dat basisinkomen per individu individueel wordt verstrekt.

In discussies over de betaalbaarheid van basisinkomen is een lastig punt of en hoe rekening gehouden moet worden met alleenstaanden versus samenwonenden.
Basisinkomen is in vrijwel alle definities een bedrag per individu, ongeacht de eventuele aanwezigheid van een  partner, terwijl in de huidige sociale zekerheid samenwonenden per individu minder krijgen dan alleenstaanden. Een redelijke verklaring hiervoor is dat samenwonden een aantal kosten kunnen delen, waarvan de woonlasten in ruime zin een grote component vormen.
Of al dan niet sprake is van samenwonen maakt financieel veel uit voor betrokkenen en dat leidt tot stevige controles en sancties door de uitkeringsinstanties. En tot veel misstanden en schrijnende situaties, met de term mantelzorgboete als recent dieptepunt.

Het verdient sterk de voorkeur het basisinkomen per individu uit te keren en voldoende hoog te stellen zodat ook alleenstaanden daarmee uit de voeten kunnen.
Voor zover men de middelen daar niet voor over heeft, kan overwogen worden een concessie te doen door rekening te houden met de verschillen in kosten tussen alleenstaanden en samenwonenden.
Naast de vigerende methode om alleenstaanden een hoger bedrag uit te keren, is er ook de mogelijkheid dat net even iets anders te doen via een woonbijdrage. Per adres wordt dan een bedrag uitgekeerd aan de hoofdbewoner. Eventueel kan de hoofdbewoner aangeven dat dat verdeeld moet worden over een aantal medebewoners, maar dat is een later uit te werken detail.

Er is een belangrijk verschil tussen het alleenstaande zijn als grondslag voor een extra uitkering, of het hoofdbewoner zijn van een adres. Het tweede is een redelijk stabiel en hard gegeven terwijl de grens tussen alleen zijn en samenwonen niet altijd scherp is en snel kan veranderen.
Registratie en controle is dan ook een stuk eenvoudiger, hoewel ook creatieve optimalisatie en fraude niet uitgesloten kan worden. Lastig punt is bijvoorbeeld de kamerverhuur, waar de grens tussen zelfstandig wonen en samenwonen niet altijd scherp zal zijn en dus ook fraude uit kan lokken.

Het idee van een woonbijdrage is bij mijn weten voor het eerst geopperd op 12-7-2013 op Sargasso in een artikel van Harry Buyvoets: Fraudegevoeligheid van een basisinkomen,  toen onder de term woonkostendeel.
De mogelijkheid van een woonbijdrage (onder de naam huishoudbijdrage) is door de Jonge Democraten in 2016 naar voren gebracht in hun plan Moedig Voorwaarts, waarin als basisinkomen € 600 per individu, € 600 per huishouden en € 300 per kind wordt voorgesteld.
In de rekentool van de Vereniging Basisinkomen zit een (betaalbare!) variant met € 650 per individu, € 600 per adres (onder de naam woontoeslag) en € 300 per kind.

Als in de huidige situatie de uitkeringen in een huishouden  in totaal onvoldoende zijn om van rond te komen, kan een beroep gedaan worden op huurtoeslag. Dat kan na invoering van het basisinkomen ook nog steeds als onverhoopt de som van de individuele basisinkomens plus de woonbijdrage te laag is. Verkieslijk is echter de bedragen zo hoog te stellen dat de huurtoeslag kan verdwijnen.
Een woonbijdrage kan desgewenst voor huizenbezitters verrekend worden met het belastingvoordeel via de hypotheekrenteaftrek. Deze kan daarmee worden verlaagd of wellicht vervallen.
Een woonbijdrage wordt in beginsel alleen betaald voor Nederlandse woonadressen. Nagedacht moet worden of dat ook moet gelden voor alle ouderen – op dit moment krijgt een alleenstaande AOW-er die in het buitenland woont ook de alleenstaandentoeslag.

Er zitten twee grote voordelen aan het werken met een woonbijdrage in plaats van een alleenstaandentoeslag:

  • Registratie en controle is eenvoudiger, minder kostbaar en zal minder schrijnende situaties opleveren
  • De woonbijdrage kan desgewenst zowel de huursubsidie als de hypotheekrenteaftrek geheel of gedeeltelijk vervangen, waarmee het verschil in behandeling tussen huurders en kopers afneemt.
    (Een cynische observatie: op dit moment profiteren huurders meer van de huurtoeslag naarmate ze armer zijn, kopers profiteren juist meer van de hypotheekrenteaftrek naarmate ze rijker zijn!).

Voor alle duidelijkheid – mijn voorkeur is een individueel basisinkomen dat hoog genoeg is om een woonbijdrage overbodig te maken. De inbreuk op het beginsel van een bedrag per individu staat mij niet erg aan.

En ook voor alle duidelijkheid – de hier gepresenteerde woonbijdrage is een grof financieel instrument dat niet primair als bedoeling heeft een ander woonbeleid in Nederland te gaan voeren dan thans het geval is. Dat is ongetwijfeld wenselijk, maar dat combineren met invoeren van basisinkomen is waarschijnlijk niet handig en verstandig. Het kan zijn dat introductie van de term woonbijdrage om basisinkomen betaalbaar te maken, veel verwarring oproept in het toch al mistige huisvestingsbeleid.

Nog een laatste overweging:
Op dit moment geldt voor de meeste uitkeringen dat een alleenstaande 70 % krijgt van een tweepersoonshuishouden. Een driepersoonshuishouden krijgt 130 %.
Budgettair neutrale omzetting zou betekenen een woonbijdrage van 40 % en een individueel bedrag van 30 %.
Dus als de uitkering voor een tweepersoonshuishouden bijvoorbeeld € 1.500 bedraagt, wordt de woonbijdrage € 600 en de bijdrage per persoon  € 450.
Uiteraard kan ook met andere bedragen gerekend worden, het gaat me hier er vooral om te laten zien dat in ons uitkeringsbeleid samenwonen de uitkeringskosten zeer fors drukt.
Het lijkt mij dat handhaven van deze verhouding een aantal mensen zal motiveren om niet samen te gaan wonen en daarmee de krapte op de woningmarkt in stand te houden. Daar valt iets aan te doen door de woonbijdrage wat te verlagen en het individuele deel wat te verhogen. De eerder genoemde voorbeelden (Jonge Democraten en rekentool VBi) tenderen ook die kant uit.
Met als uiteindelijk ideaal natuurlijk het laten vervallen van de woonbijdrage omdat het individuele basisinkomen hoog genoeg is.

Reyer Brons, juli 2018

Illustratie: Pixabay

 

Het bericht De woonbijdrage als hulpmiddel om de financiering van basisinkomen dichterbij te brengen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Een beleidstheorie voor het basisinkomen

Om tot betere experimenten te kunnen komen en een beeld te hebben bij de aanpak van voorgenomen experimenten, is een aanpak gemaakt met 9 punten.
In dit artikel werkt Peter van Hoesel punt 2 uit met de presentatie van een beleidstheorie, waarin de belangrijkste effecten van basisinkomen worden geformuleerd.

Elke beleidsmaatregel of beleidsprogramma is gebaseerd op een aantal veronderstellingen over de werking ervan. Die veronderstellingen worden lang niet altijd expliciet gemaakt, als gevolg waarvan veel beleid berust op (deels) onjuiste aannames.
Aangezien een eventuele invoering van een basisinkomen een drastische beleidsingreep zou zijn, lijkt het nuttig vooraf na te gaan op welke veronderstellingen deze ingreep kan worden gebaseerd.
In deze notitie worden deze veronderstellingen op een rij gezet. Bij elke veronderstelling wordt voorts een korte onderbouwing gegeven in die zin dat de plausibiliteit ervan wordt beschreven. Van een wetenschappelijke toetsing met referenties aan de wetenschappelijke literatuur is in dit stuk geen sprake.
De notitie kan worden gebruikt ten behoeve van nader onderzoek m.b.t. het basisinkomen, bijvoorbeeld t.b.v. experimenten of simulaties, maar is ook een aangrijpingspunt voor verdere discussie tussen voor- en tegenstanders.

Bij het concept ‘basisinkomen’ wordt in deze notitie uitgegaan van de definitie die door de VBI wordt gehanteerd:
Een basisinkomen is een periodiek en vrij besteedbaar bedrag voor iedere burger, dat voldoende is om volwaardig van te leven, zonder dat daar een verplichting tegenover staat en ongeacht het inkomen, vermogen of de samenstelling van het huishouden.

Veronderstelling 1

Het basisinkomen zorgt voor onvoorwaardelijke bestaanszekerheid voor iedere burger.
In het huidige stelsel is een uitkering gekoppeld aan vele voorwaarden, die op hun beurt gekoppeld zijn aan allerlei negatieve financiële gevolgen. Zulke voorwaarden worden niet gesteld aan het basisinkomen.
Armoede kan ermee worden voorkomen, tenzij van een te laag niveau wordt uitgegaan.
Wat hierbij ook helpt is dat het basisinkomen niet lager wordt als mensen gaan samenwonen.

Veronderstelling 2

Het basisinkomen leidt tot een drastische inperking van de bureaucratie in vergelijking met het huidige stelsel van sociale zekerheid. Door het onvoorwaardelijke, universele en individuele karakter van het basisinkomen vervalt de noodzaak om rond elke uitkering veel administratie te organiseren en regelmatig diverse controles uit te voeren.
Voor burgers vervalt hiermee het onoverzichtelijke bestaande stelsel, waarvan telkenmale blijkt dat burgers in de knel kunnen komen door allerlei uitvoeringsproblemen ten gevolge van de complexe regelgeving.

Veronderstelling 3

Het individuele karakter van het basisinkomen zal leiden tot vermindering van het aantal eenpersoonshuishoudens. Een partnertoets of huishoudtoets ontbreekt immers. Dat heeft gunstige gevolgen voor de woningmarkt, zoals een grotere woningvoorraad en lagere prijzen. 

Veronderstelling 4

Het basisinkomen gaat niet gepaard met armoedevaleffecten. Andere inkomsten gaan immers niet ten koste van het basisinkomen. Dit geeft de meeste mensen een positieve prikkel om betaalde arbeid te gaan verrichten.
Eventuele toeslagen boven het basisinkomen zullen overigens wel een armoedevaleffect met zich mee brengen.

Veronderstelling 5

Het basisinkomen vergroot per saldo de arbeidsparticipatie.
Met name in bepaalde levensfasen zullen sommige mensen ervoor kiezen om minder te gaan werken. Aan de andere kant zullen de meeste mensen hun basisinkomen juist graag willen aanvullen. En dat kan ook omdat de arbeidsmarkt veel toegankelijker wordt. Allerlei werk dat momenteel onbetaalbaar is (minimumloon plus wig) kan betaalbaar worden gemaakt. Verder krijgen mensen een grotere keuzevrijheid om werk te zoeken dat bij hen past. Om- en bijscholing worden bovendien laagdrempeliger.
Het basisinkomen levert voorts een financiële basis voor onbetaalde arbeid, zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg, gezinszorg, politieke activiteiten, creatieve activiteiten. Het zal ook makkelijker worden om onkosten van vrijwilligers te compenseren en/of hen enigerlei vergoeding te verschaffen voor hun werk.

Veronderstelling 5

Het basisinkomen zorgt voor evenwichtiger arbeidsverhoudingen.
Werkgevers kunnen mensen niet langer onder druk zetten om werk tegen lage betaling of slechte arbeidsomstandigheden te accepteren. Dat pakt positief uit op de kwaliteit van de arbeid.

Veronderstelling 6

Het basisinkomen zorgt voor meer arbeidssatisfactie, omdat mensen geen werk hoeven te accepteren dat niet bij hen past en omdat een hogere werkdruk voor het verwerven van een hoger inkomen voor de meeste mensen niet langer de enige manier is om inkomen te verwerven.
Als gevolg hiervan zal tevens het ziekteverzuim dalen en de productiviteit per saldo toenemen.

Veronderstelling 7

Het basisinkomen voorkomt nutteloze arbeid. Mensen hoeven zich minder in bochten te wringen om diensten en producten op de markt te brengen waar ze zelf niet eens achter staan, om arbeid te verrichten waar ze eigenlijk niet in geloven of om hun heil te zoeken in criminele activiteiten.
Daardoor zal het verschijnsel van nutteloze arbeid fors verminderen. Dat biedt de nodige ruimte voor het scheppen van nuttig werk in sectoren waar tekorten zijn (bv. zorg, onderwijs, techniek). 

Veronderstelling 8

Het basisinkomen maakt een evenwichtiger inkomensverdeling mogelijk, tenzij er van een te laag niveau wordt uitgegaan.
De laagste inkomens zullen wat hoger uitpakken en met name hoge inkomens die voortkomen uit vermogen zullen wellicht met een hoger belastingtarief te maken krijgen. Daarbij kan worden bedacht dat in het huidige systeem de belastingregels voor inkomens uit vermogen een degressieve werking hebben, in tegenstelling tot die voor inkomen uit arbeid.

Veronderstelling 9

Het basisinkomen zorgt voor meer levensgeluk, omdat mensen meer vrijheid krijgen om zich bezig te houden met zaken die hun geluk kunnen bevorderen, zoals: alleen werk accepteren dat bevalt, meer mogelijkheden om tijd te besteden aan het gezin, opnemen van een sabbatical, meer ruimte voor ‘levenslang leren’, meer mogelijkheden om als zelfstandige te gaan werken.

Veronderstelling 10

Het basisinkomen is niet mogelijk zonder tevens het beleid op diverse aanpalende gebieden van het sociaaleconomisch beleid fors aan te passen, zoals het belastingstelsel, het pensioenstelsel, het arbeidsrecht, de regels m.b.t. de volkshuisvesting.
Invoering van een basisinkomen kan worden beschouwd als een mooie uitdaging om andere stelsels die ermee te maken hebben te verbeteren.

Veronderstelling 11

Er zijn voldoende financieringsbronnen beschikbaar om het basisinkomen te betalen, mits er voldoende politieke wil is om die bronnen ook aan te boren. Belasting heffen is een vanzelfsprekende bron, maar er zijn ook diverse andere bronnen denkbaar (ter illustratie: afschaffen onnodige bureaucratie, afschaffen van obsoleet beleid, aanpassen arbeidsrecht, maatschappelijke dienstplicht, terugdringen overbodige productie).
De financiering van het basisinkomen kan in principe zo worden geregeld dat er geen schade ontstaat voor de economie, bijvoorbeeld wegens een te hoge belastingdruk of een te hoge inflatie (die het basisinkomen weer zou uithollen) of een te lage arbeidsparticipatie.

Veronderstelling 12

Invoering van een basisinkomen zal bijdragen aan een herstel van vertrouwen van burgers in de overheid en omgekeerd.
Dankzij het huidige stelsel staan overheid en burger nogal eens tegenover elkaar: de regels dwingen uitvoerders van het overheidsbeleid om burgers te wantrouwen en burgers krijgen nogal eens het deksel op de neus. Dit is niet langer het geval bij een basisinkomen.
Het vertrouwen in het politieke systeem zal er ook door toenemen.

Peter van Hoesel, juli 2018

Dit artikel past als stap 2 in een reeks artikelen over experimenten, die begonnen is met de tekst Hoe komen we tot een goede aanpak van experimenten met basisinkomen?
Volg voor meer artikelen over experimenten deze link.
Zie voor meer informatie over het gebruik van beleidstheorieën (en kennis in het algemeen) het artikel Een positieve relatie tussen beleid en kennis van Peter van Hoesel en Max Herold.

 

Het bericht Een beleidstheorie voor het basisinkomen verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.

Experimenten met een basisinkomen: hulp of hindernis?

juiste vragen

 

 

Wat leveren de uitkomsten van een experiment met een basisinkomen eigenlijk op? Als je niet de juiste vragen stelt, kunnen slecht opgezette proefprojecten zelfs een negatief effect hebben, waarschuwt Robert Bruce.

 

Ieder experiment met een basisinkomen heeft grote tekortkomingen – nog voordat het begint

Enkele maanden geleden draaide de politieke propagandamachine volop voor zowel voor- als tegenstanders van een basisinkomen. In de media werd gemeld dat een geruchtmakend experiment met een ‘basisinkomen’ in Finland gestopt was, omdat politici de voorkeur gaven aan inkomensafhankelijke uitkeringen ongeveer zoals de Britten dat aanpakken (een stuk agressiever dus).[1]

In feite zal het Finse experiment pas stoppen in 2019, wat geheel volgens plan is, zoals we nu weten. Eventuele conclusies worden pas gepubliceerd nadat de trial is beëindigd. Niemand, noch de voorstanders noch de tegenstanders, zouden dit voorbeeld dus moeten gebruiken om punten te scoren in het debat.

Niettemin lijkt de tijd rijp voor een diepgaander en evenwichtiger discussie over de vraag of we überhaupt moeten aandringen op omslachtige trials met het basisinkomen. Kunnen beperkte experimenten ons eigenlijk iets nuttigs vertellen over wat de invoering van een echt universeel en permanent basisinkomen betekent?

juiste vragenNet zoals veel anderen was ik enthousiast over de nieuwe experimenten, die over de hele wereld uitgevoerd worden. In februari was er een geweldige ‘Basisinkomen-dag’, georganiseerd door de London School of Economics met sprekers over geldtransfer programma’s in Finland, India, Canada, Namibië, Kenia, Oeganda, Rwanda, Servië, Iran, Schotland en Nederland. Aan dit rijtje kunnen we ook het al langer bestaande dividend voor alle inwoners van Alaska aan toevoegen. Dit dividend wordt jaarlijks uitgekeerd door het Alaska Permanent Fund. Daarnaast zijn er nog enkele geïsoleerde particuliere experimenten, waar in Amerika aan gewerkt wordt. Dit is allemaal erg opwindend voor diegenen, die vurig geloven in het basisinkomen, omdat we ervan uitgaan, dat als we maar genoeg experimenten opzetten, de enorme voordelen van een universeel basisinkomen (UBI) al snel vanzelfsprekend zullen zijn.

Ik vind echter dat we dit moment moeten gebruiken om een debat te voeren en onze aandacht heel precies scherp moeten stellen. Trials zijn hèt sleutelmoment, het moment van de waarheid, waarop het echt menens wordt tussen de fundamentele principes van een UBI en de hopeloos rommelige wereld van de herverdeling van overheidsinkomsten.

Wat we ook doen, we kunnen er zeker van zijn dat de resultaten sterk politiek gekleurd zullen zijn en indien slecht begrepen, zouden experimenten zelfs gebruikt kunnen worden om de publieke opinie tegen een basisinkomen op te zetten. Wat het nog erger maakt, is dat de meeste politici alleen uit zijn op snelle politieke resultaten. Zij zullen er niet voor terugdeinzen om een eigen draai te geven aan plannen voor een trial als dat beter past bij hun eigen agenda, zoals duidelijk het geval was met het Kela-experiment in Finland.

Als we een helder debat willen over wat we kunnen en willen bereiken met toekomstige trials, dan moeten we enkele van de volgende realiteiten onder ogen zien:

  1. Ieder experiment met een basisinkomen vertoont vanaf het begin fundamentele manco’s. Geen enkele in tijd beperkte proef kan de enorme metamorfose en veranderingen nabootsen, die het gevolg zijn van het doorvoeren van een universeel basisinkomen in een bestaande economie. Het hoogst haalbare dat we kunnen bereiken met de trials is het veranderen van individuele prikkels voor een zeer klein aantal deelnemers aan de experimenten. Deze zeer persoonlijke stimuli zullen uitsluitend getoetst worden op een banenmarkt en in een lokale economie, die precies hetzelfde zal zijn als op dit moment, wat voor de gemeenschap direct veel van de grootste pluspunten van een echt basisinkomen teniet doet. We kunnen echt niet verwachten dat de resultaten van een proefproject ingrijpende veranderingen zullen laten zien, als we niet tegelijkertijd een omvangrijke transformatie van onze economie tot stand brengen.
  2. Zelfs de individuele gedragseffecten van een basisinkomen kunnen niet naar behoren nagebootst worden in een tijdgebonden proef. Stel je even iemand voor, die al een ruime werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft in Finland. Hoeveel van hen zouden serieus overwegen om dit inkomen voor langere tijd op het spel te zetten door tijdens een 24 maanden durend experiment een onzekere of laagbetaalde baan aan te nemen? Deelnemers weten maar al te goed dat de financiering voor het project waarschijnlijk aan het einde van de regeling wordt ingetrokken (wat zoals gezegd volgend jaar [2019] in Finland zal gebeuren). Het gevolg zou zijn dat ze vast komen te zitten in een onzekere baan zonder toekomstperspectief, terwijl ze financieel maar weinig beter af zijn dan met een uitkering. We kunnen niet verwachten dat een kortdurend experiment de negatieve prikkels van de ‘armoedeval’ kan wegnemen. Alleen een duurzaam basisinkomen kan dat.
  3. Experimenten worden herhaaldelijk neergesabeld door politici, die zich alleen druk maken om maatregelen die werklozen dwingen om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan – precies wat er in Finland is gebeurd!Toch is de officiële werkloosheid in de meeste G20-economieën slechts enkele procenten. Degenen die het meest van een toekomstig basisinkomen zullen profiteren zijn niet de werklozen, maar laagbetaalde werknemers met een ondermaats of onzeker inkomen. De vraag wat deze mensen met zulke banen zouden doen met een extra maandelijkse betaling bovenop hun bestaande inkomen, is waarschijnlijk de belangrijkste vraag, die beantwoord moet worden. Maar toch sluiten veel experimenten juist deze groep helemaal uit.
  4. Voordat we de vele voordelen van een basisinkomen echt op de juiste waarde kunnen schatten, moeten we ons economisch denken en onze doelen veranderen. Economen en politici zijn nog steeds verknocht aan verouderde ideologieën over de groei van het BBP (Bruto Binnenlands Product) en arbeidsproductiviteit.[2] De enige maatstaven voor succes waarin zij geïnteresseerd zijn, zijn traditionele doelstellingen als arbeidsparticipatie en economische output.Maar deze criteria zijn volkomen blind voor het maatschappelijk nut op de langere termijn van het geven van een basisinkomen aan verzorgers thuis, of volwassen studenten op de universiteit. Ze hechten geen waarde aan de eigen verantwoordelijkheid van burgers, die zelf hun keuzes wat betreft werk willen maken en die niet iedere baan willen pakken, die ze kunnen krijgen om te overleven. Totdat we duidelijke normen voor sociaal kapitaal en betrokkenheid in onze lokale gemeenschappen hebben, kunnen experimenten met een UBI alleen beoordeeld worden aan de hand van doelen uit de 20ste eeuw, die weinig relevantie hebben voor de lotsverbetering van mensen in de 21ste eeuw.

 

Gezien al deze obstakels, wat moet de conclusie zijn met betrekking tot de basisregels voor het ontwerp van toekomstige experimenten?
Ten eerste moeten we afscheid nemen van het idee dat op de één of andere manier een kleinschalige proef, die ook nog beperkt in tijd is, een zinvol experiment kan zijn voor een echt basisinkomen. Het is domweg niet mogelijk om in een trial de volledige effecten van een dergelijke enorme verandering, die aan de fundamenten van onze economie rammelt, te repliceren.

juiste vragenOp z’n best kunnen we met deze experimenten met een UBI op Madurodam-formaat – een miniatuur stadje waar de treinen eindeloos op tijd rijden – nuttige inzichten in logistieke kwesties krijgen.[3] Antwoord op vragen omtrent veiligheids- en identiteitscontroles, hoe om te gaan met deelnemers die geen toegang hebben tot bankrekeningen (met name in landen met lage inkomens), hoe om te gaan met overlappingen met bestaande uitkeringen, de overlap met gezondheidszorgvoorzieningen, enzovoort. Deze praktische inzichten zullen nuttig zijn, maar we mogen nooit voetstoots aannemen dat we – door de resultaten van deze experimenten te generaliseren – alle potentiële toekomstige baten van een universeel basisinkomen leren kennen.

In plaats daarvan moeten we ons veel duidelijker richten op het ontwerpen van projecten, die nauwkeurig omschreven en specifieke vragen kunnen beantwoorden. Als het bijvoorbeeld de bedoeling is geweest om aan te tonen dat een basisinkomen de negatieve prikkels om werk te zoeken kan ondervangen – veroorzaakt door de inkomensafhankelijke uitkeringen in Finland – dan hadden ze een heel andere aanpak kunnen kiezen. Geef ten eerste werklozen, die al genieten van vrij gulle uitkeringen in Finland, geen nieuw geld om het hen nog gemakkelijker te maken. Zet het experiment niet zo op dat de deelnemers weten dat ze na 24 maanden, wanneer het programma eindigt, dat extra geld hoogstwaarschijnlijk zullen verliezen, waardoor ze mogelijk slechter af zijn dan daarvoor.

Een veel beter idee zou zijn geweest om te garanderen dat eventuele bestaande uitkeringen, die ze vóór het experiment ontvingen, gedurende de volgende tien jaar bijgepast en gehandhaafd zullen worden, ongeacht eventuele extra inkomsten, die ze in die tijd zouden verdienen. Dit is natuurlijk geen basisinkomen. Het kan echter de eventuele voordelen van een basisinkomen inschatten door de gevolgen van de inkomenstoets en de negatieve prikkel, die ervan uitgaat om werk te zoeken, teniet te doen.

Andere aandachtsgebieden kunnen specifieke projecten zijn, die extra inkomsten opleveren voor laagbetaalde werknemers, opnieuw gedurende de langst mogelijke periode (minstens 5-10 jaar). Hoe reageren zij? Gaan zij minder uren werken, van baan veranderen, een bedrijf starten, gaan zij meer tijd besteden aan onderwijs of blijven zij thuis om voor het gezin te zorgen?

juiste vragen

G20-landen: de donkerblauwe landen zijn individueel lid van de G20. De lichtblauwe landen worden door de Europese Unie vertegenwoordigd, maar zijn niet individueel lid. De paarse landen zijn permanente gasten van de G20.

Het analyseren van veranderingen in de verdien- en bestedingspatronen van huishoudens uit deze groep (met inbegrip van effecten op spaargelden of schulden van gezinnen) door de invoering van een toekomstig basisinkomen kan ook interessante gevolgen voor armoede aan het licht brengen. Met behulp van deze resultaten zouden we vervolgens kunnen berekenen wat de echte economische multiplier (vermenigvuldigingsfactor) van het geld verkregen middels het basisinkomen zou zijn (economische opbrengst van iedere geïnvesteerde euro, pond of dollar). We kunnen zeker verwachten dat de uitkomst verhoudingsgewijs veel hoger ligt dan bij kwantitatieve verruiming, of door verlaging van de vennootschapsbelasting, die gretig zijn toegepast in de meeste G20-landen.

Bij de opzet van de experimenten moeten ook de lokale economische omstandigheden nauwlettend in acht genomen worden. De aanpak voor een land als Finland, dat al zeer goede niveaus van herverdeling van de overheidsinkomsten kent, zal duidelijk heel anders zijn dan dat op het Indiase platteland. Een land als het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft al gratis universeel onderwijs (ten minste tot 18 jaar) en gratis universele gezondheidszorg, maar kampt met uitzonderlijk hoge huisvestingskosten. Het VK zou aan de financiering van betaalbare woningen een even grote prioriteit kunnen geven als aan het UBI. Daarentegen hebben de meeste niet-stedelijke gebieden van Amerika geen woningnood, maar bij hen is er geen sprake van bekostiging van basisgezondheidszorg en onderwijsprogramma’s, dus kunnen zij prioriteit geven aan deze universele diensten voordat zij een UBI introduceren. Al deze lokale sociale en economische factoren hebben ongetwijfeld grote invloed op het voorspelde gedrag van individuen wanneer door de experimenten hun motieven veranderen.

Hoewel de principes van het basisinkomen overal ter wereld hetzelfde zijn, moet de inrichting van de experimenten zeer zorgvuldig afgestemd worden op de lokale context. Het is onwaarschijnlijk dat de resultaten rechtstreeks, dat wil zeggen zonder grote aanpassingen, kan worden overgedragen naar andere landen. Er zijn nog veel meer onderzoeken nodig om de meest efficiënte vorm van een universeel basisinkomen te ontwikkelen. Het succes van deze projecten zal echter afhangen van het stellen van zeer gerichte vragen om vervolgens – één vraag per keer – een goed gecontroleerde trial op te zetten om deze vragen te beantwoorden. Als eenmaal al deze inzichten van over de hele wereld samengebracht zijn, kunnen we eindelijk duidelijk maken, ondersteund door bewijsmateriaal, wat een basisinkomen kan betekenen voor de mondiale wedloop en hoe deze er het beste uit kan zien.

Volgens mij moeten we de veronderstelling, dat experimenten althans de veralgemeniseerde resultaten ervan, de belangrijkste weg naar de implementatie van een basisinkomen zijn, loslaten. Geen enkel land is in staat om van de ene op de andere dag over te stappen naar een volledig UBI op het niveau van een leefbaar inkomen.

Een veel kansrijker scenario is om op kleine schaal te beginnen met het invoeren van regelingen, gebaseerd op het beginsel van reguliere dividenduitkeringen, dat wil zeggen op een bescheiden niveau en voor iedere burger.

Na verloop van tijd kan dit systeem geleidelijk uitgebreid worden door geselecteerde sociale zekerheidsuitkeringen, belastingvoordelen en uiteindelijk meer grootscheepse programma’s voor de herverdeling van rijkdom te integreren.

In de loop van een aantal jaren zal het waarschijnlijk zo ver zijn. Er kunnen ontelbare studies gedaan worden naar de economische en sociale effecten van het ‘burgerdividend’ als de waarde van deze betalingen stijgt.

Het voordeel van deze aanpak is dat er geen langdurige experimenten gestart hoeven te worden. De politieke wil om te beginnen met programma voor de introductie van een basisinkomen is genoeg. Deze strategie kan ons inderdaad zelfs doen twijfelen aan ons belangrijkste doel: ijveren voor meer UBI-trials.
Onze energie kan zich beter eerst richten op het vaststellen van het principe van universele basisinkomens, misschien door omwille van het milieu te pleiten voor een heffing op “koolstof en dividend”. Maar dat is een heel ander verhaal.

Dit stuk verscheen eerder onder de titel ‘Trialling basic income: A help or a hinderence? Every basic income trial is fundamentally flawed before it starts’ op Medium.com, een site voor nieuws en artikelen van schrijvers, die pleiten voor de invoering van een basisinkomen in het Verenigd Koninkrijk.

juiste vragenAuteur: Robert Bruce, schrijver van het ebook ‘The Global Race’, www.TheGlobalRace.net

Vertaling en bewerking: Florie Barnhoorn

Foto’s

 


 
1. In de originele Engelstalige tekst staat meestal het woord ‘trial’. Waarschijnlijk duidt de auteur op een randomized controlled trial (of randomized control trial; RCT), een wetenschappelijk experiment waarbij de onderzoeker alle – of in ieder geval zoveel mogelijk – variabelen beheerst. Een belangrijk onderdeel van deze onderzoeksopzet is de controlegroep. In de dagelijkse praktijk is een ‘zuivere’ RCT bijna onmogelijk. In zijn artikel maakt de auteur overigens niet duidelijk wat hij onder een ‘trial’ verstaat. In de vertaling heb ik het woord ‘trial’ gebruikt, ‘proef(project)’ of ‘onderzoeksopzet’, maar meestal ‘experiment’ omdat deze omschrijving in Nederland vaak gebruikt wordt voor een proefproject met een vorm van basisinkomen.↩

2. Meer lezen? Zie bijvoorbeeld hier.↩

3. Madurodam is vernoemd naar George Maduro, een Joodse rechtenstudent uit Curaçao, die tegen de nazi-bezettingsmacht vocht als lid van het Nederlandse verzet en stierf in het concentratiekamp Dachau in 1945. In 1946 ontving Maduro postuum de Riddermedaille Vierde Klasse van de Militaire Willems-Orde, de hoogste en oudste militaire onderscheiding in het Koninkrijk der Nederlanden, vanwege de moed die hij tijdens de Slag om Nederland tegen Duitse troepen had getoond. Na de oorlog schonken zijn ouders het beginkapitaal voor de bouw van Madurodam.↩

Het bericht Experimenten met een basisinkomen: hulp of hindernis? verscheen eerst op Vereniging Basisinkomen.